Column Bris Mahabier – Aflevering 12: M.K. Gandhi: (g)een Mahátmá voor shudra’s, dálits en ádivasi’s?

Reacties zijn gesloten

1. Herdenking van de geboortedag van Gandhi

Twee oktober komt dichterbij. Exponenten uit de Hindoestaanse upper-middle-class in Den Haag zijn wederom bezig veel vrije tijd, energie en geld te steken in de organisatie van de herdenking van de geboortedag van M. K. Gandhi, hun Mahátma. Dit gebeurt al een aantal jaren. In de maand oktober van dit jaar willen deze promotoren van de Indiase cultuur en historie ook een Gandhi-‘walk’ en een ‘Bhoedjel Bhaat Event’ in Den Haag organiseren. (Jammer, dat vele Sarnámiwoorden nog altijd fout gespeld worden. De juiste schrijfwijze is bhujal bhát.) Meestal is alles gratis, ook de toegang, zoals gebruikelijk op onze herdenkingsbijeenkomsten. Tot het feestende publiek behoren ook ‘gewone’ Hindoestanen; mensen uit de lage inkomensgroepering. Je kan weer in je nieuwste sári gekleed uitgaan. Immers, de feestzaal moet voor een gezellige sfeer goed bevolkt zijn. Feestelijk samenzijn betekent altijd gezelligheid met familie en vrienden. De cliché toespraken van de culturele ‘bobo’s’ ietsje minder, maar die ‘bhásens’ bederven de pret van de aanwezigen niet: velen praten rustig door. De vette bará zal er niet ontbreken, koffie, thee, jus d’órange en muzikale omlijsting evenmin. Gratis betekent in dit geval: betaald door de gemeente of andere subsidiënten. Zal er ook baithak gáná zijn? Nee, toch. Dat is voor de boiti Hindoestanen, vinden velen. Maar opvallend is, dat juist een deel van de Hindoestanen met een boiti-achtergrond niet gecharmeerd is van onze baithak gáná, een typisch Caribisch zanggenre. Op deze herdenkingsbijeenkomsten worden er liedjes van Indiase zangers nagezongen, waarin bewieroking van Gandhi plaatsvindt, zoals ‘Suno suno ai duniya wálo’ van Mohammed Ravi (+). Een cultureel lichtpunt is er: op de Bhujal Bhát Event op 23 oktober zullen er ook bhaik gáná zangers optreden.

2. ‘Ká hál bá?’, zei Narendra Modi

Misschien komt er weer een hoge gast, nl. de Indiase ambassadeur. Voor hem en zijn gevolg zullen de stoelen midden op de eerste rij gereserveerd staan. We vinden de traditionele manier waarop een Indiër – met de handpalmen tegen elkaar op borsthoogte of voor het gezicht en meestal het hoofd ietsje omlaag – namaste zegt geweldig. Enkele maanden geleden kwam de populaire Indiase premier Narendra Modi het podium van de moderne Sportcampus Zuiderpark in Den Haag op en zei – wellicht doordacht – ter begroeting geen namaste, maar ‘Ká hál bá?’ (Hoe gaat het? In het Sarnámi zeggen we meestal: Ká hál hai?). De bomvolle grote zaal – hoofdzakelijk gevuld met Surinaamse Hindoestanen – ging uit zijn dak: de herkenbaarheid was evident. Drie eenvoudige Sarnámiwoorden, onverwacht uitgesproken door de premier van India, veroorzaakten een grote spontane emotionele golf. Volgens mij heeft culturele identiteit ook iets met emotie, met gevoel te maken. Voor het eerst in onze migrantenhistorie werd het overwegend Surinaamse publiek door een Indiase politicus in onze moedertaal Sarnámi toegesproken en niet met de gebruikelijke namaste of namaskár in het Hindi. Echt een unicum. Al was het maar één korte zin die we allemaal kennen. Dit was ook voor mij verrassend en het emotioneerde mij een beetje, toen ik enkele dagen later de beelden op YouTube zag. Misschien verbaast het mij achteraf niet: Narendra Modi’s moedertaal is Gujarati, hij behoort niet tot de brahmaanse kaste (die begroeten meestal met Rám-Rám) en hij kent de politieke betekenis van de eigen hindoecultuur als geen ander. Maar wat hebben de Hindoestaanse Nederlanders van deze culturele daad van Narendra Modi geleerd? Hield deze premier ons een culturele spiegel voor? En hebben onze culturele en intellectuele bobo’s iets ervan opgestoken?

3. Een culturele stellingname?

Tegen namaste c.q. namaskár, de algemene hindoegroet – de universele groet volgens aryá samáji pandits – heb ik geen enkel bezwaar. Het is de enige Hindi-groet die ik gebruik. Die hoge Indiase gast op ‘onze’ eerstvolgende Gandhiherdenking, in het verleden vaak een diplomaat met een brahmaanse afkomst, zal bij de begroeting zeer waarschijnlijk geen hand geven, maar dat deert onze geïntegreerde Hindoestanen helemaal niet. Volgens sommige Hindoestanen in Suriname, die veel contact hebben met het Indiase Culture Center (ICC), is het niet geven van een hand iets dat met eerbied te maken heeft en vooral met hygiëne. Misschien is het laatste wel juist. Maar kan het ook iets te maken hebben met onaanraakbaarheid (achút) van vroeger en nu? Of men wel even stil staat bij het geen hand geven ter begroeting. Of vinden we het normaal dat deze hooggeplaatste personen fysiek contact met ons vermijden? Ik weet het niet. Nee, liever geen reflectie als je op een feestelijke bijeenkomst bent. Dat is waar. En daarna? Met een eenvoudige gedragsimitatie tel je mee. Je bent dan herkenbaar, dan lijk je op Indiërs en dat willen velen van ons, sommigen zijn al jaren in het bezit van een Indiase PIO-document waarop ze trots zijn (PIO= Persons of Indian Origin). Waarom ook niet? Immers, India is een groot land, de geboortegrond van onze voorouders, heeft een 4.000 jaar oude geschreven historie, een redelijk functionerende democratie, telt 1,25 miljard inwoners (waaronder 170 miljoen moslims en 450 miljoen shudra’s en dalits), het Sarnámi verbindt ons met het Hindi van Noord-India en niet te vergeten de immens populaire Bollywoodfilms. Het gaat zeker ook om de identiteitsbeleving: sommigen zijn liever namaak, of een beetje Indiërs dan wat anders. Overigens moet ik toegeven, dat ik imitatie als overdrachtsmogelijkheid niet afwijs en onze gedeeltelijke culturele verwantschap met een groot deel van de bevolking van Noord-India onvoorwaardelijk onderken, maar bovenal ben ik een Surinaams-Nederlandse Hindoestaan die in vele opzichten anders denkt en handelt, met een cultuur die anders is dan van de doorsnee hindoe in New Delhi, Kanpur, Lucknow of Varanasi.

4. Meedoen of niet?

Voor mij is de naderende datum van 2 oktober een directe reden om na te denken over het feit waarom ik weer niet mee wenst te doen aan deze festiviteit en de daarmee samenhangende overdreven verering van Gandhi. De meeste Surinaamse en Nederlandse Hindoestanen hebben een ‘lagere’ játi-afkomst, ik evenzo. Een játi (= kaste) is een groep waarvan je door geboorte lid wordt en dit lidmaatschap behoud je in het algemeen tot de dood. Elke játi was (is?) gekoppeld aan een erfelijk beroep. De andere kenmerken van het erfelijke kastenstelsel, zoals het trouwen binnen de eigen játi, laat ik in deze bijdrage buiten beschouwing. Onze voorouders, de meeste kalkattiya’s (contractarbeiders) uit India, behoorden tot minstens een twintigtal játi’s behorend tot de vaishya- en shudravarna (klasse?) en een beperkt aantal tot onaanraakbaren of paria’s, die zich tegenwoordig in India dalits noemen (De Klerk 1953). Het kastenbewustzijn en játi-dharma (het door traditie en geschriften bepalend voorgeschreven gedrag van elke játi) zijn bij ons in Suriname en Nederland grotendeels versleten en verdwenen, o.a. door de inspanning van strijdlustige áryá samáji’s van vroeger, het westerse onderwijs en enige druk van de islam en het christendom. Gelukkig. Deze maatschappelijke emancipatie is in geen geval toe te schrijven aan het verlichte denken van Surinaamse sanátani brahmanen en hun voetvolk. De laatste Surinaamse samáji Mohikaan, de kampioen van khandan, is niet meer actief. Het játi-gevoel en de kasteafstamming zijn bij de Surinaamse brahmanen nog vitaal. De meeste sanátani hindoes, ook vele hoogopgeleiden in Nederland, handhaven in één opzicht de oude kastenregel consequent. Zij willen voor het verrichten van de vele verplichte rituelen bij het huwelijk en de dood persé een pandit, een rituele specialist, die van geboorte brahmaan is. Zij gaan met hun keuze voorbij aan het gelijkheidsbeginsel, zoals vastgelegd in artikel 1 van de grondwet van Nederland. Ik vraag mij af, of deze Hindoestanen zich niet schuldig maken aan játi-discriminatie. Misschien moet ik in deze kwestie te rade gaan bij mijn vrienden en familieleden met een juridische achtergrond.

Zelf doe ik niet mee aan de Gandhifestiviteiten omdat hij o.a. bitter weinig gedaan heeft om de slechte structurele positie van de lagere kasten en de onaanraakbaren (paria’s) te verbeteren. Natuurlijk mag een ieder zijn of haar keuze maken. Wat ik wel afwijs en bestrijd, is een overdreven verering van de Mahatma, die soms richting vergoddelijking gaat. Volgens mijn historisch besef zijn brahmanen, ondernemers en moslims meer eerbied aan Gandhi verschuldigd dan mensen met een kasteafkomst gerelateerd aan o.a. kurmi’s, ahirs, camárs, bhangi’s en dalits (pariá’s).

5. Gandhi was een groot politicus, en toch…

Gandhi was in de periode 1918 – 1948 de dominante charismatische politieke leider van India. Niet van zijn moslim-landgenoten voor wie hij op alle belangrijke momenten op de bres sprong. Moslims hadden hun eigen leiders en organisatie, al voor de terugkeer van Gandhi uit Zuid-Afrika, waar hij als goed betaalde advocaat voor een aantal rijke Gujarati moslim handelaren had gewerkt. Gandhi wilde vanaf 1919 tot 1947 al te graag ook de leider van moslims zijn. Dat lukte hem niet. Mahatma Gandhi is meestal in staat geweest om zijn politieke visie aan anderen op te leggen (bij Mohammed Ali Jinnah (1876 – 1949) had hij geen succes), om personen met een gedeeltelijk andere politieke visie en opvattingen op een zijspoor te doen belanden, naar de tweede lijn weg te drukken, of bepaalde ideeën, zoals hartál (staking), ahimsá (geweldloosheid), bescherming van de koe en swadeshi, van anderen over te nemen en die zelf met veel verve uit te dragen. Minder sterke tegenstanders tot bondgenoten maken, hongerstaking of dreiging ermee waren voor hem beproefde methoden om vooral zijn hindoeconcurrenten op de knieën te krijgen. Ook het zaaien van verdeeldheid onder zijn tegenstanders was Gandhi niet vreemd. Niet altijd was het politieke middel hem heilig. In bepaalde opzichten was hi niet altijd transparant en consequent. Hierbij denk ik aan het gebruik van geweld. Gandhi fiatteerde de deelname van honderdduizenden Indiase militairen op verschillende slagvelden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Velen van hen liggen niet ver van Nederland begraven. Zo wilde Gandhi zijn loyaliteit aan het Verenigd Koninkrijk tonen. Hij stelde zijn eigen principe van geweldloosheid ‘even’ buiten werking, maar het bevrijdend geweld van Subhas Chandra Bose alias Netáji, met zijn Indian National Army (INA) bestreed hij fel. Gandhi was een principiële tegenstander van revolutie, westerse ideeën en technologie. Hij propageerde een herstel van de traditionele dorpssamenleving gebaseerd op kastenordening, maar dan zonder ‘hoog en laag’. Niet erg transparant en duidelijk, lijkt mij.

Dit hebben dr. Bhimrao R. Ambedkar (linker foto) en Subhas Chandra Bose (rechterfoto), de jonge voorzitter van de National Congres, moeten ervaren. De rol van Gandhi in de lange strijd voor de onafhankelijkheid van India was formidabel, vooral als mobilisator van de massa, waaronder vooral de kleine boeren en vrouwen. Hierbij maakte hij handig gebruik van zijn zorgvuldig opgebouwde charisma en het hindoegevoel. Het zou zeker laakbaar zijn om zijn inspanning van 33 jaar en zijn politieke verdiensten te bagatelliseren. Maar niemand zal mij en anderen het recht willen en kunnen ontzeggen om ook aan de minder positieve kanten van de politiek van Gandhi aandacht te besteden. Ja, die zijn er ook, ook volgens Indiase historici (V.D. Mahajan 1979, B. G. Gokhale 1982 e.a.). Helaas! Feiten kun je niet ongedaan maken. Wel kunnen interpretaties van dezelfde feiten verschillend zijn. Het is opvallend, dat in de afgelopen jaren de populariteit en de postume waardering van dr. B. R. Ambedkar (1891 – 1956), de grote leider van de onaanraakbaren, vooral in de deelstaten Uttar Pradesh (UP), Bihar en Maharashtra toeneemt. In UP worden er ook in kleinere steden standbeelden van Ambedkar opricht. Ook hij heeft een eretitel: ‘bábásahib’.

6. Gandhi over onaanraakbaarheid (achut)

In de jaren dertig van de vorige eeuw, toen de strijd voor onafhankelijkheid zijn hoogtepunt naderde, telde Brits-Indië 400 miljoen inwoners. Ruim 45 % van deze totale bevolking behoorde tot de shudra- en dalitjáti’s (ondergewaardeerde en uitgebuite kasten). Ik vraag mij af wat Gandhi in concreto heeft gedaan voor de emancipatie van deze bevolkingsgroepen. Deze vraag houdt mij al enkele decennia bezig.

Helaas moet ik nu langzamerhand erkennen, dat Gandhi gefocust was op één doel, m.n. de politieke onafhankelijkheid van India. Hierbij genoot hij alle steun van de grootindustriëlen van India, o.a. de Tata – en de Birlafamilie. Hem werden alle financiële zorgen uit de hand gehouden. Gandhi besteedde nauwelijks aandacht aan de afschuwelijke maatschappelijke en religieuze misstanden. Hij bekritiseerde en bestreed vooral die maatschappelijke verschijnselen en groeperingen die een obstakel zouden vormen op de weg van de onafhankelijkheid van India, of de nationale eenheid tussen hindoes, moslims en anderen zouden bedreigen. Echte eenheid tussen hindoes en moslims is er nooit geweest, hoewel Gandhi zich hiervoor op een indrukwekkende manier bleef inzetten, met het grootste offer dat een mens kan brengen, namelijk zijn leven. In dit licht probeer ik zijn houding ten opzichte van de Arya Samaj beweging in India te begrijpen. Een beweging die een groot voorstander was van de suddhi-sanskár en op zijn minst één van zijn exponenten al heel vroeg het idee van opsplitsing van Brits-Indië in een hindoe- en een moslimstaat lanceerde of ondersteunde.

Gandhi had direct na zijn aankomst uit Zuid-Afrika in 1915 het vertrouwen van de Indiase economische en de brahmaanse elite verworven. Hij werd eerst op tournee gestuurd door het uitgestrekte India, maar niet voordat hij van zijn geangliceerde identiteit had bevrijd: Gandhi zou tot zijn dood in dhoti gekleed rondgaan, als symbool van eenvoud, maar ook van traditionalisme. Dat vertrouwen dat Gandhi van de hindoe-elite genoot had te maken met o.a. de volgende zaken. Gandhi was een groot voorstander van de vrije markteconomie. Hij wilde niet tornen aan de bestaande sociale structuur door handhaving van het traditionele varna- en játi-stelsel door het volgen van de voorouderlijke roeping. Dit was uiteraard in het belang van de conservatieve brahmanen. De Mahatma was tegen revolutie als middel. Ook bleek Bápuji al heel vroeg geen voorstander van werkstakingen, verwestersing en secularisatie te zijn, maar bovenal niets moest hebben van het marxisme, dat al wortels had geschoten in de hindoe- en christen India. Wat Gandhi wel deed, na ongeveer 1930, is zijn afschuw uitspreken over de onaanraakbaarheid. Zijn verheven cultuur moest gezuiverd worden van deze smet. Ook voerde Gandhi enkele acties om dalits toegang tot mandirs mogelijk te maken. Op deze manier wilde Gandhi de positie van zijn rivaal dr. Ambedkar, de leider van de dalits, verzwakken. Gandhi aarzelde na zijn acties geen moment om te verklaren dat hij de leider van alle achuts (dalits) was. Hij zei en schreef: ‘I want to remove untouchability because its removal is essential for swaraj and I want swaraj.’ (Gandhi 1924) Bij de onaanraakbaren drong Gandhi aan op geduld en goed gedrag, om geduldig hun verplichtingen na te komen en vooral om geen harde acties te voeren. ‘But I can help you in this only by following the way indicated by my religion and not by following Western methods’ (M.K. Gandhi 1924/1978. Hindu Dharma, p.107). Onze Mahatma was niet altijd helder. In een toespraak van 1920 zei hij: ‘While I do hold that the institution of untouchability as it stands today has no sanction in Hinduism. Elders schreef hij: Hinduism has committed a great sin in giving sanction tot his evil…’ En in 1916 zei Gandhi: ‘… the vast organisationof cast not only served the religios needs of the community…’en vier jaar later:… cast had saved Hinduism from desintegration in the past…’(David Arnold 2001). Rabindranath Tagore noemde Gandhi als eerste Mahatma, maar hij waarschuwde ook voor de bereidheid van het volk om Gandhi’s woorden zonder verificatie voor waar aan te nemen (Ainslie T. Embree 1972).