Rahan / Bestaan: Indrukwekkende poëzie van Jit Narain

Reacties zijn gesloten

Door Geert Koefoed

Na dertien jaar is er een nieuwe dichtbundel van Jit Narain verschenen, Rahan / Bestaan. Rahan is geen verzameling van op zichzelf staande gedichten, maar een cyclus: een reeks gedichten in een vaste volgorde, waarin één thema uitgewerkt wordt of één verhaal verteld.

Jit Narain heeft al een omvangrijk oeuvre op zijn naam. Hij is begonnen met drie bundels losse gedichten. Dat hij graag langere vormen gebruikt, blijkt al uit zijn debuut uit 1977, Dál Bhát Catni, dat een aantal lange, verhalende gedichten bevat. In 1984 verschijnt Jit Narains eerste cyclus: Mánge ghát pe jiwan jhele kahen naw semundar khewe/Wie wil wonen op de oever waarom koerst hij naar de zee. De dichter heeft hiermee zijn vorm gevonden. Met tussenpozen van drie à vier jaar verschijnen drie cycli: Waar ben je daar/Báte huwán tu kahán (1987), Agni ke yád yád ke rákhi/Ter herinnering aan Agni de as van de herinnering (1991) en Tussen de woorden is het stil (1995). (Wanneer de titel in het Sarnámi voorop staat, is de poëzie in die taal geschreven en – meestal door de dichter samen met iemand anders – in het Nederlands vertaald; als de Nederlandse titel vooropstaat, is het omgekeerd. Tussen de woorden is het stil is niet vertaald.) In 2004 verschijnt nog een bundel met een mengvorm, een korte cyclus en een aantal op zichzelf staande gedichten, Dosti ke cáh/Wat vriendschap verlangt.

Nu is er dan een nieuwe, omvangrijke cyclus verschenen, Rahan/Bestaan. Geschreven in het Sarnámi, in het Nederlands vertaald door Effendi Ketwaru. De Sarnámi gedichten en de Nederlandse versies staan naast elkaar afgedrukt op linker- en rechterpagina’s. Lezers die beide talen kennen, kunnen zo de twee versies vergelijken. Aan het eind zijn Engelse vertalingen van de gedichten toegevoegd, van de hand van France Oliveira. De bespreking hieronder heeft betrekking op de Nederlandse vertaling; ik kan de oorspronkelijke Sarnámi gedichten niet lezen.

Het schrijven van een cyclus gedichten is een onderzoek in dichtvorm. De dichter probeert zich intens te verdiepen en te verplaatsen in menselijke ervaringen: wat is de situatie, wat is er gebeurd, wat zijn de gevolgen, wat hebben mensen gevoeld, met wat voor levenshouding kunnen ze de nieuwe situatie tegemoet treden?

In thematiek en taalkeuze sluit Rahan aan bij Mánge ghát pe jiwan jhele en Agni ke yád yád ke rakhi. Mánge ghát pe jiwan jhele… gaat over ontworteling en opnieuw ‘aarden’ in een vreemde omgeving. Het is een eerbetoon aan de eerste generatie hindoestaanse immigranten en geeft een beeld van hun strijd om zich een eigen plek in Suriname te verwerven en hun identiteit te bewaren. Halverwege de cyclus verschuift de aandacht naar een nieuwe generatie emigranten, de Surinamers die zich in de jaren ’70 in Nederland vestigen. Agni ke yád… gaat over de pogingen van de dichter, nakomeling van de derde generatie, om de breuk in de geschiedenis die door de emigratie is veroorzaakt, te herstellen. De taal Sarnámi speelt daarbij een hoofdrol, die verbindt de generaties.

Ontworteling door (onvrijwillige) arbeidsmigratie is ook het begin van de ontwikkelingen in Rahan. De eerste afdeling heet bidesiya; dit woord heeft volgens de toelichting twee betekenissen: (i) een persoon uit een andere streek of land; (ii) langdurige scheiding tussen seizoenarbeiders en achterblijvers. bidesiya bevat vier gedichten over de situatie van knechtschap waarin contractarbeiders terecht kwamen. Alleen werk telde (“arbeid vergoddelijkte zich”). Als het leven enigszins op orde is, wordt de bitterheid van het gescheiden zijn gevoeld. Dit is een collectieve ervaring; het grammaticale onderwerp in deze gedichten is wij. Hierop volgen twee gedichten onder de titel khetihar/landbouwer. Het onderwerp is nu enkelvoud, de landbouwer, hij. Deze enkeling is representatief voor zijn lotgenoten, maar tegelijk alleen. Alleen staat hij op de weidse akker die hij moet bewerken: “met de houwer in de hand denkt hij / waar te beginnen weer”.

In de vier gedichten die hierop volgen, onder de titel ham koike ná lagilá/ik hoor niemand toe, vindt een verschuiving in de tijd plaats. Het onderwerp is nu ik en deze ik is niet de landbouwer uit de vorige afdeling, maar een nakomeling. Hij draagt dit verleden bij zich maar wil er niet door bepaald zijn. Voor hem niet enkel overleven meer, hij wil leven, volledig, onbelemmerd, “te midden van iedereen / maar in niemands ogen”, “ik hoor niemand toe”.

In de laatste twee afdelingen, ‘ab/nu’ en ‘tab/terug’, ontwikkelt zich wat in de psychologie waarschijnlijk een psychose zal worden genoemd. Zo’n afstandelijke, onpoëtische term wordt in de gedichten niet gebruikt. De dichter kiest gewone woorden, dicht bij de beleving van de persoon die het overkomt, woorden die ook bij de lezer onmiddellijk een sterk beeld oproepen. Hij gebruikt wel beeldspraak, bijvoorbeeld: “het bewustzijn scheen / een gelaat vol barsten”, maar er is geen sprake van moeilijk, hoog-literair taalgebruik; als mensen proberen onder woorden te brengen wat ze van binnen voelen, maken ze vaak spontaan gebruik van beeldspraak.

De man over wie het gaat (vermoedelijk nog jong), onttrekt zich aan de maatschappij: “gestapt over klok en kalender / leeft hij”. Eerst vol geloof in zichzelf, hij voelt zich alsof hij in een eeuwigdurend nu leeft waarin alles mogelijk is en alles betekenis heeft: “zijn rijk is gul en vervuld”. Maar hij kan die overvloed niet aan. Hij vervreemdt van anderen, wordt gekleineerd en raakt geïsoleerd. Hij is zijn persoonlijkheid kwijt, hij weet niet meer wat en wie hij is.

hij bestond in vele gehelen
soms vielen ze deels samen
soms lagen ze ver uit elkaar

zijn ik was niet in evenwicht
hij heette maar wat
zijn naam dekte hem niet

Er volgen aangrijpende gedichten over de crisis waarin de man belandt: over zijn verbijstering, angst, mensenschuwheid; over het verlies aan betekenis, de duisternis waarin hij leeft; over de slapeloosheid die zijn lichaam sloopt: “de slaap was uit hem getreden/en plette dansend zijn ogen”. In een paar gedichten wordt gezinspeeld op een verblijf in een psychiatrische inrichting.

Ondanks heftige, angstaanjagende emoties die in de gedichten verwoord worden, is de taal beheerst. Bij de beschrijving van wat de man innerlijk ervaart, worden woorden als lichaam, geest, verstand, gevoel en ziel met grote precisie gebruikt. Met name de relatie tussen geest en ziel is belangrijk. Ziel heeft religieuze betekenissen, maar die zijn in Rahan niet aan de orde. In gewoon taalgebruik wordt tussen geest en ziel lang niet altijd onderscheid gemaakt, maar veel mensen voelen toch aan dat ziel naar een diepere laag van ons innerlijk verwijst dan geest. Dit vinden we ook in Rahan: de ziel is onze verhouding tot het leven zelf .

Ziel is de Nederlandse vertaling van de Sarnámi samenstelling jiw-átmá. Jiw is gerelateerd aan het werkwoord jiye (leven); voor átmá (in het Sanskriet átman, historisch verwant met het Nederlandse woord adem) vindt men omschrijvingen als ‘de diepere essentie van ik’, ‘zelf’, ‘ziel’.

Iemands geest kan in de war zijn of waanvoorstellingen voortbrengen, iemands ziel kan gebutst of gewond zijn en pijn lijden. De crisis die in Rahan beschreven en geanalyseerd wordt, gaat niet zomaar om psychische en sociale problemen, het is een existentiële crisis, die voortkomt uit een gewonde ziel: “zonder omgang met de ziel / werd en maakte de geest een gedrocht”.

Het geheel van de hierboven genoemde ‘componenten’ van de persoonlijkheid vormt de ik, de individuele mens zelf. De ik van de persoon in Rahan is verscheurd. Maar hij krabbelt weer op, zoekt en krijgt controle over zijn denken, hij kan weer verantwoordelijkheid aan. Tegen het einde van de cyclus zijn er een aantal gedichten waarin twee stemmen aan het woord komen. De ene stem spreekt een onpersoonlijke, ‘wetenschappelijke’ taal (deze regels zijn cursief gedrukt); de andere stem spreekt dezelfde taal als tot dan toe gebruikt voor wat hij ervaart. Het is alsof deze hij begrippen en opvattingen over de psyche van de mens tot zich neemt en onderzoekt of deze ook op hemzelf van toepassing zijn. Het herstel blijkt uit het feit dat hij zelf bepaalt welke inzichten voor hem waardevol zijn. In het slotgedicht staan deze regels: “hij hernam zijn leven / (…) / de deur stond open om te stappen in de wereld //op te gaan in een bestaan”.

Door de eerste twee afdelingen, bidesiya en khetihar/landbouwer , is de crisis die de persoon in Rahan/Bestaan doormaakt, verbonden aan ontworteling ten gevolge van landverhuizing (die ook in volgende generaties doorwerkt). Maar de betekenis van deze poëzie is niet beperkt tot soortgelijke situaties, maar algemeen-menselijk; de ziel van een mens is kwetsbaar en kan in allerlei omstandigheden gewond raken.

De dichter Jit Narain heeft niet de behoefte dingen mooi, ‘poëtisch’ te zeggen. Ik denk dat hij, juist omdat het over heftige gevoelens gaat, ‘gevoelig’, sentimenteel taalgebruik zoveel mogelijk mijdt. De dichter lijkt te streven naar het ideaal dat zijn overleden vriend, neerlandicus Ton Wolf, zó formuleerde: “concreet, precies en feitelijk” (Rahan/Bestaan is opgedragen aan “de nabeelden van Ton Wolf”). Niet ondanks maar juist dankzij de sobere verwoording ontstaat er, ook in de Nederlandse vertaling, poëzie die mij in hart en ziel raakt. De cyclus als geheel noem ik indrukwekkend, omdat deze poëzie niet alleen diepzinnig en mooi is maar het innerlijk lijden van mensen, hun zielepijn, dichterbij brengt, invoelbaar maakt.

De uiterlijke verzorging van het boek (grafische vormgeving, papier, omslag) is perfect: sober en zorgvuldig, passend bij de inhoud.

ham ná lagilá / ik hoor niemand toe (5)

umariyá dehiyán ke mare
soc-sac umariya ke

bandan tut já hai
dehin pichare lage hai
chinna-kál apan pahue dekhá deis

baki lagan na tute hai
jangal jamin har lek ai
aur jiye hai sadá khát abahí men

 

ouderdom verslaat het lichaam
verbeeldingen verslaan ouderdom

banden gaan verloren
lichamen deinzen terug
het tijdelijke legt zich bloot

maar liefde sterft niet
het bos beneemt de grond
en leeft eeuwig in het nu

 

ab / nu (1)

nángke ghari aur kalendar
jiye hai

ná karamhin, ná kamáibin

okar ráj dánpreni aur bharpur hai
u apne-ápke puje hai
oke besumár jai

abhin men jiwan ekar amar hai
lagal hai eman u
ab kuch ná herái

 

gestapt over klok en kalender
leeft hij

niet daadloos, niet zonder verdiensten

zijn rijk is gul en gevuld
hij dient zichzelf
hij heeft in overvloed

in het nu is zijn leven voor altijd
hij geeft zich eraan over
niets gaat verloren

 

tab / terug (3)

jindagi dekhe
kacar dáris
tobhi i jiyat rahá

baki i piche men phekán
ega jamal tem men
jamal yád sáth jiyat rahá

cit dekhát rahá
jaise ego citkal cehrá

apan chutkárá pe cirág
eke dekháwe ke rahá

 

het leven liep het lichaam
onder de voeten
toch leefde hij

maar hij leefde teruggeworpen
in een gestolde tijd
met gestolde herinneringen

het bewustzijn scheen
een gelaat vol barsten

licht brengen op zijn bevrijding
zou hij

 

tab / terug (15)

apan jiwan phirse hathiáil rahá

ekar ánk men camak
dehin men jor
jiye men jos rahá

dimág bebhanak ho gail
bhásá sambandhit
dhun sohál lagal

dunyá men lát rakhe khát
kamári khulai rahá

ego rahan men samá jáe khát

 

hij hernam zijn leven

er was glans in zijn ogen
kracht in zijn lichaam
zin om te leven

het verstand ontdeed zich van ruis
de taal werd samenhangend
de toon paste hem

de deur stond open om te stappen
in de wereld

op te gaan in een bestaan