Column Bris Mahabier – Aflevering 13: Zijn wij ‘laffe, vluchtende’ Hindoestanen met een ‘krabbenmentalteit’?

Reacties zijn gesloten

1.Hindoestaanse opinion leaders
Niet alleen in mijn gepensioneerde levensfase, de moderne versie van de traditionele vánaprastha van de hindoes, maar ook vroeger, toen ik 41 jaar economisch actief was, woonde ik – ondanks de grote werkdruk, het bijwonen van politieke bijeenkomsten, de dagelijkse huishoudelijke beslommeringen, vrienden- en familieverplichtingen – zoveel mogelijk Hindoestaanse culturele manifestaties, zoals Holivieringen, immigratieherdenkingen, Divali-optochten en vrouwendagen, maar ook studie- en discussiebijeenkomsten bij. Het is thans, zeker voor mij als een pensionado vanzelfsprekend, dat ik deze lijn zo goed mogelijk voortzet. Nee, mijn leven is nog niet geheel uitgeblust. Ook voor mij geldt in beginsel, dat ik niet te oud ben om nieuwe kennis op te doen. De aangeleerde kennishonger is blijvend en motiveert mij elke dag opnieuw tot meer. Wel is het op bepaalde momenten zo, dat ik denk: wat moet ik op mijn hoge leeftijd met alle nieuwe, gevarieerde en interessante informatie. Voor mij is praktisch gebruik ervan uiteraard beperkt. En toch blijf ik lezen, denken en ook discussiëren vaak met vrienden, soms met familie en anderen. Toegang tot het onderwijs, ook voor de kinderen en kleinkinderen van de Hindoestaanse immigranten, is een van de gunstige gevolgen van het koloniale bestuur in Suriname en India geweest.

In de afgelopen drie jaar heb ik op enkele (openbare) Hindoestaanse bijeenkomsten verschillende malen meegemaakt, dat exponenten van een bekende (voorheen landelijke) Hindoestaanse welzijnsstichting op een bijna nonchalante manier, maar wel met een ironische lach om de mond, de Hindoestaanse Nederlanders niet alleen positieve, maar ook enkele negatieve, oppervlakkige labels opplakten. Ik kan niet ontkennen, dat ik daarover ambivalente gevoelens heb. Het gemak waarmee dit gebeurde, was opvallend. Misschien waren deze uitspraken (zie in de titel van dit stuk) bedoeld om het aanwezige publiek te prikkelen tot nadenken, maar misschien niet. Of is er sprake van in spontaniteit geventileerde opvattingen, zonder ongunstige bedoelingen? Dan zou zo’n uitspraak eenmalig moeten zijn. Ik weet het gewoon niet. En gissen doe ik niet graag. Dit ligt niet in mijn aard. Wat ik wel weet, is wat er is gezegd. Het motief in deze vind ik minder belangrijk en bovenal moeilijk te doorgronden voor mij als een leek op het gebied van sociale psychologie. Het zou met ironie of zelfs met een beetje sarcasme van de persoon/personen in kwestie te maken kunnen hebben. Misschien niet met de bedoeling om een groep echt te ridiculiseren of te kwetsen, maar eerder de grenzen opzoekend in spontaniteit, vooral als je met een gedwee Hindoestaans gehoor te maken hebt en in een setting die weinig of geen ruimte biedt tot gedachtewisseling. Gelukkig groeit de mondigheid van vooral Hindoestaanse jongeren en vrouwen gestaag. Wat mij enigszins verontrust, is dat het herhaaldelijk gebruik van bepaalde beeldende ongunstige etiketten door invloedrijke personen op den duur een stigmatiserend effect zouden kunnen hebben. Deze etnische etiketten kunnen uitgroeien tot stereotypen, grove overdreven generalisaties. Dit besef en perspectief verontrust mij enigszins. De door mij gewraakte uitspraken zijn niet voldoende doordacht. Ook wij, Jit Narain (schrijversnaam van Djiet Baldewsingh) voorop, Naushad Boedhoe, Amar Soekhlal, Alma Mahawatkhan, Irene Ramautar, Gharietje Choenni en Bris Mahabier, allen oud-leden van het Kollektief Jumpa Rajguru, hebben vaak geen blad voor de mond genomen. Ook wij hebben kritiek geleverd op o.a. delen van onze Hindoestaanse cultuur, bijv. op de positie van de Hindoestaanse vrouw, het erfelijke kastenstelsel, bepaalde religieuze opvattingen en praktijken. Onze kritiek was onderbouwd en streefde een emancipatorisch doel na.

2. Etnische etiketten
In generaliserende uitspraken, die ik etnische etiketten noem, zit er meestal iets waars, maar tegelijkertijd ook een overdrijving om het onderwerp scherp te stellen. Soms gaat het om kritiek op bepaalde eenzijdige ontwikkelingen. Hierbij denk ik aan de bekende drie D’s van Rabin Baldewsingh: doksá, dáru en dansi (eendenvlees, alcohol en dansen). Deze aanduiding geniet ongetwijfeld een grote mate van populariteit onder Haagse Hindoestanen. Misschien is dit een goed voorbeeld van wat in de (Amerikaanse) antropologie als ‘cultural gap’ werd aangeduid. Een uitspraak die eigenlijk was bedoeld om de materiële eenzijdigheid van bepaalde Hindoestaanse Nederlanders te benoemen en aan de kaak te stellen. De grondslag va deze uitspraak is educatief vaan aard. Bijeenkomsten waarop bijvoorbeeld Sarnámipoëzie, de Hindoestaanse opvoeding, onderwijsproblematiek, het integratievraagstuk, de positie van hindoevrouwen en religiekritiek centraal staan, bezoekt men liever niet. Typerend is, dat meestal tijdens de voltrekking van een rituele hindoehuwelijk de zaal dun bevolkt is, terwijl tussen 21.00 en 22.00 uur de meeste gasten, vooral vrouwen in Bollywoodstijl gekleed, binnenstromen. Overigens wil ik opmerken, dat de toegenomen vleesconsumptie onder Hindoestaanse Nederlanders eigenlijk niet zo bijzonder is als velen denken. Het is helemaal geen unieke trek van de Hindoestaanse cultuur. Immers, bij de groei en betere verdeling van de welvaart zoals in Nederland, neemt de consumptie van vlees, luxe artikelen en vakantiereizen naar verre oorden toe. Dit verschijnsel zien we niet alleen in alle Westerse landen, maar ook in Suriname en elders.

3. Hindoestanen hebben een ‘krabbenmentaliteit’
In relatief korte tijd heb ik meerdere malen op Hindoestaanse bijeenkomsten in Den Haag gehoord, dat het gedrag van Hindoestanen in Suriname en Nederland gekenmerkt wordt door een krabbenmentaliteit. Deze typering zou iets hebben van niet boven het maaiveld mogen uitsteken. De term krabbenmentaliteit heeft kennelijk betrekking op het individualistische gedrag van Hindoestanen. Het gebruik van het woord krabbenmentaliteit houdt een impliciete afwijzing in van het bovengenoemde gedrag. Lang geleden was er sprake van kuddegeest en onderdrukkende familieloyaliteit onder Hindoestanen. Voor mij is individualisering een van de belangrijkste kenmerken van het leven in een grootstedelijk milieu en deze heeft zeker iets te maken met voortschrijdende integratie van vooral jongere Hindoestaanse gezinnen in de Nederlandse samenleving. Langzame verzwakking van traditionele loyaliteiten en verplichtingen houdt verband met toenemende verwestersing, lees integratie. Eigenlijk is de werkelijkheid niet zo zwart-wit. In bepaalde opzichten is er in Hindoestaanse kringen degelijk sprake van samenwerking, hulpvaardigheid en saamhorigheid, ondanks de verwestersing.

De krábu (krab), een schaaldier, is in pittige masálá klaargemaakt ook voor vele Hindoestanen een lekkernij. Ik heb het slechts een keer in 1962 gegeten. De term krabbengang was mij bekend, dankzij de Hollandse bioloog Polder die op de kweekschool in de jaren zestig les gaf. Deze docent was de eerste die ons in zijn biologielessen vertelde over o.a. kwikwi, ribátoto, honingbijen, slakken in rijstvelden en krabben. Maar ik wist tot voor kort niet, dat ook krabben in het bezit zijn van een mentaliteit. Reeds toen had ik geleerd, dat het gedrag van dieren hoofdzakelijk bepaald wordt door aangeboren instincten en reflexen. Enfin, ik moet misschien toch meer gaan lezen… Feitelijk werden Hindoestanen met gevangen krabben in een groot blik, een grote wastobbe of mand vergeleken. De krabben, die zo’n gevangenschap instinctmatig willen ontvluchten, worden als ze moeizaam opklauterend bijna de bovenrand van de steile barrière hebben bereikt, door hun soortgenoten ongewild omlaag getrokken. De bovenste krabben komen weer op de bodem terecht, waardoor ontsnappen bijna onmogelijk wordt gemaakt. De boosdoeners zijn niet zo zeer de onderste krabben, maar de steile wand en de zwaartekracht. Het beeld van krabben en de aanduiding krabbenmentaliteit ontlokte bij een klein deel van het publiek een lacherige reactie. Het grootste deel van de aanwezigen zweeg; ook ik. Uit lafheid? Overigens zou ik van een bioloog een keertje willen weten, of het in zo’n situatie werkelijk gaat om negatief gedrag: dat de gevangen krabben instinctief erop uit zijn om elkaar de kans op ontvluchting te ontnemen. Helaas zijn de drie biologen in mijn familie- en vriendenkring niet gespecialiseerd in krabbengedrag.

Ik vraag mij af, of het toeschrijven van dit gedragskenmerk op onderzoek is gebaseerd. Of betreft het hier om een subjectieve uitspraak, gebaseerd op het gevoel en oordeel van een persoon? En zou deze krabbenmentaliteit alleen voor en voor alle Hindoestanen gelden? Ik heb mijn twijfels over deze vermeende etnische specificiteit. Ik denk, dat hier een misplaatste generalisatie in het geding is. Als het toegeschreven kenmerk, de krabbenmentaliteit, werkelijk bestaat, dan geldt het zeker niet voor alle Hindoestanen. En als het wel voor alle Hindoestanen zou gelden, dan zeker ook voor de exponenten en bestuursleden van deze stichting. In de oude Surinaams-Hindoestaanse cultuur hebben enkele vormen van samenwerking en solidariteit bestaan. Oudere mensen met een agrarische boiti-achtergrond zijn zeker op de hoogte van pancáyat (dorpsraad van vijf personen), hurh (samenwerking op basis van wederkerigheid) en dán-dahej gekend. Mandir- en Rámliláorganisaties van sanátani hindoes werken degelijk samen met elkaar. Dit gebeurt ook bij het overlijden van een buurtgenoot of familielid.

4. Hindoestanen ‘op de vlucht’ en ‘laf’?
In de maand september (2017) heb ik twee keer van een gezaghebbende erudiete wetenschapper gehoord, dat Hindoestanen laf zijn, dat we vluchters zijn, die eigenlijk hun ouders in Suriname in de steek hebben gelaten. Laf betekent niet moedig, bang en lafhartig en vluchten is zich verwijderen uit angst. Ook hier is er sprake van een ruwe veralgemening. Het gaat om een beeldvorming die niet op verstandelijke gronden is gestoeld. En eenmaal ontstane beelden veranderen niet gemakkelijk.
Het merendeel van de gecontracteerde plantagearbeiders uit het voormalige Brits-Indië ontvluchtte Brits-Indië ontvluchte de armoedige leefsituatie in hun geboorte- dorpen, waar vele push-factoren krachtig waren. Voor een deel van de kantráki’s geldt, dat ze zelf besloten om te vertrekken. Om jouw familie, vrienden en dorpen te verlaten en in een ver en vreemd land aan de slag te gaan, heb je moed nodig. Ook hadden de Hindoestaanse contractarbeiders het voornemen om na voldoende verdiend te hebben naar hun ‘matrya bhumi’ (hun moederland) terug te keren. Er is onvoldoende reden om deze kalkatihá’s, Hindoestaanse immigranten die uit de havenstad Calcutta (Kolkata) waren vertrokken, als vluchtelingen te beschouwen en hen lafheid toe te schrijven. Geen van de Surinaamse historici en Sarnámidichters heeft het migratiegedrag van onze áji’s en ájá’s laf genoemd.

Voor een deel van de Hindoestanen kan dit waar zijn: in 1974 en 1975 emigreerden zij vooral uit angst voor rassenrellen, die door politici voorspeld waren en die gelukkig uitbleven. Maar voor welk deel en hoe groot is dit deel? Nogmaals, voor zover ik kon nagaan, is er geen sociaalwetenschappelijk onderzoek gedaan naar lafheid onder en de krabbenmentaliteit van Hindoestanen. Ook inzake deze ‘lafheid’ en ‘ze zijn steeds op de vlucht’ is er subjectiviteit in het spel.

Hoe beoordeel je, of Hindoestanen wel of niet laf zijn? Dat is niet duidelijk gemaakt. De ‘dubbele’ migratie: eerst van India naar Suriname en later naar Nederland is geen voldoende bewijs voor lafheid. Om deze reden blijft zo’n aanduiding subjectief van aard. Ik kan historische voorbeelden geven, dat Surinaamse Hindoestanen zich verweerd en gestreden hebben. Zeker niet alleen tegen de mede-Hindoestanen. Voorbeelden vormen geen bewijs, hebben slechts een illustratieve betekenis. Historische feiten kun je onmogelijk negeren. En mocht dat toch gebeuren, dan is er geen sprake van objectiviteit. Waren alle Ieren, Schotten, Engelsen, Duitsers en Italianen die massaal naar Amerika emigreerden lafaards? Wel gevlucht voor religieuze onverdraagzaamheid en politieke onderdrukking en om armoede/hongerdood te ontlopen. Ook Spanjaarden en Portugezen emigreerden in grote aantallen naar Latijns-Amerika. Waren ook zij lafaards?

5. Sarnámi ke rát of Holláns ke rát?
Op 23 september jl. vond er in het Laaktheater in Spoorwijk in Den Haag de z.g. Sarnámi ke rát (Nacht van het Sarnámi) plaats. Deze naam suggereerde – naar analogie van de Nacht van poëzie – veel activiteiten in het Sarnámi, de moedertaal van de Surinaamse Hindoestanen. Helaas, moest ik ervaren, dat dit niet zo was. Tegen het gebruik van de Nederlandse taal heb ik in het algemeen geen bezwaar. Echter: het programma was geen Sarnámi ke rát, maar een Holláns ke rát. Men had deze avond misschien anders kunnen noemen. De gebruikte literaire vlag Sarnámi ke rát dekte de overwegend Nederlandstalige lading niet.

Het programma begon met een optreden van een jonge Nederlandstalige Hindoestaanse cabaretier die zijn best deed, maar onvoldoende bijval oogstte. Het grootste deel van het programma (minstens vijf kwartier) werd gevuld met een lange Nederlandstalige presentatie van het boek Onbeschreven erfgoed Perspectieven op de Surinaams-Hindostaanse cultuur en een promotie-inleiding over de Stichting Diaspora Leerstoel Lalla Rookh. Let wel: ook in de ogen van deze stichting zijn wij geen Hindoestanen, maar Hindostanen. Dit boek is toegankelijk geschreven voor een breed publiek. Zeker een aanwinst in een handzaam formaat en betaalbaar. Een aanrader voor een ieder die geïnteresseerd is in de Surinaams-Hindoestaanse volkscultuur. Bij het lezen moest ik vast stellen, dat enkele thema’s uit dit boek, al eerder (gedeeltelijk) beschreven zijn, bijv. in 1903, 1930, 1965, 1977, 1984, 1987 en 2005. Ik vraag mij af, of de aanduiding Onbeschreven erfgoed terecht is! Niet volkomen, denk ik.
Het Sarnámi culturele deel begon met een uitleg en een uitstekende uitvoering van onze londá ke nác door de bekende jonge danser Glen Rādhe. Zijn interactief optreden viel in de smaak: een aantal mensen dansten samen met hem. Londá ke nác en ahirwá ke nác zijn twee kenmerkende elementen uit de Surinaams-Hindoestaanse volkscultuur, die niet door de totale Hindoestaanse gemeenschap worden aanvaard. Verschillende groeperingen wijzen deze dansvormen af. De vraag rijst, of het dan juist is om tegen deze achtergrond te spreken van een gemeenschapscultuur?

De dichter Jit Narain (schrijversnaam van de huisarts D. Baldewsingh), die speciaal voor Sarnámi ke rát uit Uitkijk in Suriname was overgekomen, werd door zijn vriend Naushad Boedhoe ingeleid. Jit Narain heeft voor zijn Sarnámi oeuvre reeds verschillende literatuurprijzen ontvangen, o.a. de nationale literatuurprijs van Suriname in 2016. Hij heeft een tiental Sarnámi bundels en twee leerboeken op zijn naam staan. Ká hál, een van deze Sarnámi leerboeken, schreef hij samen met Theo Damsteegt, een universitaire hoofddocent in indologie. Jit Narain is de eerste geweest die gedichten in het Sarnámi heeft gepubliceerd. Sinds 1974 is hij een van de onvermoeibare trekkers van de Sarnámibeweging, die zich beijvert voor bestudering en waardering van onze moedertaal. Jit Narain droeg op zijn bekende manier twee eigen Sarnámi gedichten zingend voor. Hierna werd door R. Khargie, de voorzitter van Lalla Rookh, aan Jit Narain een ingelijst exemplaar van zijn eerste dichtbundel Dál, bhát chatni (1977) aangeboden. Ik twijfel niet aan de goede bedoelingen van deze Tulpenwangige stichting, maar de keuze van dit symbool als blijk van waardering voor de vele dichtbundels van Jit Narain en misschien ook voor zijn culturele strijd roept bij mij ambivalente gevoelens op. De symbolische betekenis van dit gebaar is mij niet duidelijk. Misschien ligt dit aan mij. Hoe belangrijk vindt deze stichting, die naar buiten vertegenwoordigd wordt door haar leerstoel, het Sarnámi en de literatuur in het Sarnámi? Voor de lezer die geïnteresseerd is in een antwoord op deze vraag, verwijs ik naar het in september van dit jaar verschenen boek Sarnámi, een kleine taal met een grote opgave, m.n. naar de bijdrage Sarnámi, literatuur, 31 jaar later, van Michiel van Kempen.