Column Ruben Gowricharn – Aflevering 1 Suriname: ver en dichtbij

Enkele jaren geleden kuierde ik langs één van de brede straten van Miami. Uit de tegenovergestelde richting kwam een creools gezin. Het was te zien dat ze geen Amerikaanse of Jamaicaanse creolen waren, maar waar ze precies vandaan kwamen kon ik niet opmaken. Ik keek dus een beetje nieuwsgierig naar de mensen. De vrouw zag mij kijken en riep plotseling met uitgestoken vinger: ‘Surinamer!’. Zij waren inderdaad Surinaamse creolen. Maar ook de vrouw kon mij als Surinamer herkennen, hoewel ik toen meer dan een kwart eeuw in Nederland woonde.

Dit gedrag is niet onbekend: we zoeken overal op de wereld naar Suriname en Surinamers. Wijlen Rudi Kross sprak van ‘Surinamitis’, een obsessie die gelijkenis vertoont met een ziekte, maar één die we koesteren. En wat we koesteren is een gevoel dat de neerslag is van herinneringen, beelden, emoties. Mezelf definiëren als Surinamer bevrijdt me van de Nederlandse verplichting om me voor een Hollander uit te geven, het geeft me de emotionele rust en zekerheid dat ik ergens vandaan kom en nog steeds daar thuis ben. Suriname is thuis. Niet dat ik me geen Nederlander voel, maar dat gevoel legt het af tegen het besef dat m’n emotionele ankers verbonden zijn met Suriname. Als je de vergelijking met een familie wilt maken: Suriname is het huis van m’n ouders, Nederland het huis van m’n schoonouders. Aangetrouwde familie, een analogie die voor veel landgenoten letterlijk opgaat.

Is dit nostalgisch gezwets? Nee, nostalgie is uitsluitend gebaseerd op zaken uit het verleden. Dat verleden speelt bij mij ongetwijfeld een rol. Als ik door de districten rijd herleeft de plantagegeschiedenis van het land. Een blik op de Surinamerivier geeft je een idee wat het woord ‘tijdloos’ betekent. Wat je in Suriname ook bezoekt, waar je ook naartoe gaat, de geschiedenis praat tot je. Het is niet moeilijk om in Suriname een beeld te vormen van het leven van de blanke planters, de zwarte slaven, de Hindostaanse en Javaanse contractarbeiders, de kleine boeren, de Chinese kleinhandelaren en allerlei andere groepen mensen. Suriname is zwanger van geschiedenis: van het plantagewezen, van de plurale samenleving, van het Nederlands kolonialisme, maar deze zwangerschap leidt niet tot een baring. Daarvoor wentelt men zich daar nog teveel in het slachtofferschap en is er te weinig daadkracht om er iets van te maken.

Suriname is ook iets uit het heden. Dat begint bij de landing op Zanderij. Wie kent niet de gewaarwording dat er bij het uitstappen een keurslijf van je afvalt? Nee, geen vakantiegevoel alsof je in Istanbul bent geland, maar een gevoel van vrijheid. Wie herkent niet de vertrouwde geuren – de rook van brandend hout of de frisheid na een regenbui – tijdens de rit naar Paramaribo? En de muziek? Het gevoel thuis te zijn zonder dat je daar echt woont? Ik heb dat wel. Suriname is voor mij ook het land waar ik werk, het is nooit een vakantieland (geweest). Je went gauw aan het ritme van de dag, de mensen om je heen, het tempo van werken, het klimaat, het eten, de straathonden of de rommeligheid.

Hoe vaker je naar Suriname gaat, hoe sneller het opvalt dat het land sterk is veranderd. Het bruist meer dan dertig jaar geleden. Dat is te zien aan het aantal mensen op straat, hun nettere en soms dure kleding, het aantal auto’s, de eetgelegenheden. De consumptie is zeer westers. Pizzahut, MacDonalds en andere fastfoodgelegenheden, shoppingmalls, hotels kenmerken de veranderingen. Opvallend is ook dat veel schoolkinderen geen brood van huis meenemen, maar die nu kopen. Niet te negeren is dat de mensen harder werken dan vroeger. Ze hebben meer dan één baan, ze hosselen en klagen minder. Dat heeft consequenties voor de ontvangst. Als ik twintig jaar geleden bij aankomst vrienden opbelde om te zeggen dat ik in het land was, stonden ze een half uur later op de stoep. Nu is de reactie ‘wanneer vertrek je’?

Een deel van de verandering is minder zichtbaar. Surinamers gaan vaak op vakantie: vroeger naar Nederland, nu vooral naar de Antillen, Miami en Brazilie. Het welvaartsniveau is ongetwijfeld gestegen, maar waar komt het geld vandaan? De sterke verhalen willen dat het allemaal geld uit de drugshandel is. Het is veel plausibeler de gestegen inkomsten te verklaren uit nieuwe bronnen als de goud- en oliewinning. En de overmakingen uit Nederland. Dit laatste bedraagt al vijftien tot twintig procent van het nationaal inkomen.

Die verbinding tussen Suriname en Nederland blijft ondanks alle anti-koloniale rethoriek bijzonder. Dat realiseer je je tijdens gesprekken met andere Surinamers. De helft van de Surinaamse middenklasse heeft in Nederland gewoond, gestudeerd of gewerkt. Ze weten mee te praten over Nederland, kennen de onhebbelijkheden van de Hollanders, maar kunnen daar rustig afstand van nemen. De verwantschap is niet alleen cultureel. Surinamers in Nederland, met name creolen, zijn ingetrouwd in de Nederlandse samenleving. Aan de gemengde kinderen en het aantal blanken in het vliegtuig kan je die biologische assimilatie aflezen. Ook in het straatbeeld van Paramaribo is een toenemend aantal blanken te zien. Dat is niet alleen een effect van de nieuwe familierelaties. Steeds meer blanke stagiares vinden hun weg naar Suriname, en in hun kielzog, ouders die kindlief in dat vreemde land willen bezoeken.

De verstrengeling tussen Suriname en Nederland komt niet alleen tot uitdrukking in geldovermaking of oude en nieuwe relaties die zich allemaal richting Suriname bewegen. Er is ook een omgekeerde stroom van personen. Een belangrijk deel van de Surinaamse bevolking heeft studerende kinderen in Nederland. En steeds meer gepensioneerde Surinamers willen hun oude dag bij kinderen in Nederland doorbrengen. Daarnaast is er een stroom van informatie en beelden die Suriname typeren. Een voorbeeld is Nina Jurna, de Surinaamse televisie reporter voor RTL-4. Telkens wanneer ik haar in Suriname tegenkom, is er bij mij een gevoel van herkenning. Dan vlieg ik op haar af en zeg ‘mevrouw Jurna …’ om dan iets doms te zeggen. En ik verbeeld me van haar gezicht af te kunnen lezen ‘Daar heb je weer die gekke Hindostaan die kennelijk niets te doen heeft’. Ze blijft vriendelijk, zonder mij aan te moedigen, zegt weinig en hoort zonder een spier te vertrekken al m’n onbenulligheden aan, niet beseffend dat ze een stuk ‘long-distance Suriname’ in Nederland is.

Je kan je in Suriname niet lang onttrekken aan de politiek. Dan blijkt dat het land ook ergerlijk kan zijn. Ik heb nooit begrepen waarom Suriname na de onafhankelijkheid niet verder is gegaan met de serieuze planpolitiek die zij decennia lang heeft gevoerd. Ondanks alle verhalen over potentiele rijkdommen kenmerkt het land zich door een onthutsend gebrek aan toekomstvisie, leiderschap en daadkracht. In beleidsrapporten worden allerlei vraagstukken aan de orde gesteld, de donoren staan op de stoep, maar een concreet beleid of kritische evaluatie daarvan is zeldzaam. Dat geldt voor uiteenlopende terreinen als armoedebestrijding, schooluitval en onveiligheid. Maar ook de economische politiek, de landbouw of het ondernemerschap zijn geen onderwerp van beschouwing. Evenals de politieke elite klopt ook de economische elite zich graag op de borst. De economische opbrengsten ziet zij als teken van goed ondernemerschap, daarbij vergetend dat die eerder te danken zijn aan de monopolieposities waar de Surinaamse economie vol van is.

Suriname is ook het land van de benepenheid. De sterk sociaal gescheiden circuits zou je niet verwachten in zo’n kleinschalige samenleving, toch komt het vaker voor dan buitenstanders denken. Het is een land met ‘ouderwetse’ oordelen over bijvoorbeeld vrouwen en homoseksuelen, over de politiek die alleen zou dienen om de eigen zakken te vullen of over ‘geld maken’ en ‘studeren’. Surinamers kennen geen discussiecultuur, ze zijn lichtgeraakt en een intellectueel of artistiek klimaat ontbreekt haast volkomen. Er bestaat een ergerlijke onverschilligheid jegens sociaal zwakkeren en talloze thema’s, zoals de creoolse culturele en politieke dominantie, zijn niet bespreekbaar. Die ergernis geldt ook voor de onwil om zich te interesseren voor elkaars culturen of voor de fragiele pers en democratie. Maar: ze laten elkaar ook – zeker vergeleken met Nederland – met rust.

Dit alles, en nog veel meer, is Suriname – ondanks 45 jaar emigratie. Het is geen ziekte, het is méér dan een herinnering of een gevoel. Suriname is iets dat te benaderen is met het woord ‘liefde’. Ondanks alles, blijf je ervan houden.

3 gedachten over “Column Ruben Gowricharn – Aflevering 1 Suriname: ver en dichtbij

  1. Beste heer Ruben Gowricharn,
    Met belangstelling uw degelijke stuk gelezen. Is het echt zo dat het welvaartsniveau gestegen
    is? Wanneer ik voor mijn FBpagina “Plantage Jagtlust” de Surinaamse kranten doorlees kom ik
    veel andere zaken tegen, als veel meer daklozen bij de Waterkant, niet uitbetaalde salarissen,
    openbare diensten die afhankelijk zijn van giften(scooters voor de politie), stijging van
    levensmiddelenprijzen, afhankelijkheid van buitenlandse giften(China, India), etc.
    Lees ik de verkeerde kranten of laat ik me teveel indoctrinairen door een anti-Bouterse kamp.
    Ik weet uit uw stuk dat Surinamers niet graag discussiëren, maar zie toch uit naar een
    antwoord.
    Met vriendelijke groet,
    Jacob van der Burg

  2. Op vrijdag 31 augustus 2018 werd in tegenwoordigheid van de Haagsche burgemeester Krikke de nieuw
    geïntroduceerde cultuurprijs, vernoemd naar de als illuster gedoodverfde Jit Narain Baldewsingh aan betrokkene
    zelf overhandigd als blijk van waardering voor zijn rol in de verwording van het Sarnami tot kennelijk een culturele
    taal van formaat. De benaming cultuurprijs is erg misleidend omdat daarmee de suggestie wordt gewekt dat een
    ieder die zich op enigerlei wijze verdienstelijk maakt op het terrein van de Hindoestaanse cultuur zoals culinaire
    kunst, dans, muziek, drama, podiumkunst, literatuur etc. voor een dergelijke award genomineerd zou kunnen
    worden. Het tegendeel ervan blijkt echter waar te zijn indien er tot de genomineerden uitsluitend Hindoestanen
    mogen behoren die zich verdienstelijk hebben gemaakt op het terrein van het Sarnami, een culturele taal die door
    de nieuwe generatie zeer slecht wordt gedragen. Er bestaan terecht twijfels t.a.v. de habiliteit van de leden van het
    consortium. Op welke wijze hebben lui als Naushad Boedhoe, Bris Mahabier, Kries Autar en de gewezen wethouder
    Rabin Baldewsingh hun sporen verdiend binnen het ideële segment van de Hindoestaanse cultuur? Met ideëel
    bedoel ik dat men naast een actieve, voor mijn part passieve culturele beleving eveneens in staat moet zijn om er
    beschouwingen over te schrijven. Beschouwingen zijn analyses , steunend op enige wetenschappelijke kennis c.q.
    geraadpleegde literatuur. Een opgelopen academische titel ergens in is beslist niet voldoende. Lui die in Nederland
    gestudeerd hebben, enige omgang met de intelligentsia onder de Hollanders achter de rug hebben, moeten toch
    weten hoe het in Nederland toegaat? Ze mogen Michiel van Kempen als hoogleraar in de Caraïbische letteren
    binnen hebben gehaald maar ook bij deze man rijzen er twijfels ten aanzien van zijn bekwaamheid. Van Kempen
    heeft zijn professoraat uitsluitend te danken aan zijn lege leerstoel bij de UvA . Het Parool waar Van Kempen zelf
    kind – aan- huis is wijdde er een heel artikel aan toen het UvA bestuur besloten had afstand te nemen van deze
    leerstoel. Van Kempen verklaarde zelf tegenover Amigoe van 12 januari 2015: “…. het verdwijnen van de leerstoel
    heeft als gevolg dat er geen colleges meer worden gegeven over Caribische literatuur aan de Universiteit van
    Amsterdam, maar dat hij ook geen gastcolleges meer zal geven in Suriname of aan de University of Curaçao. Ook
    vervalt de begeleiding voor promovendi “ . Ter behoud van de leerstoel en dus het professoraat betaalt Van
    Kempen volgens mevrouw Dr. Van Dam van de UvA zelf de jaarlijkse contributie van 20.000,- euro omdat hij gezien
    en ondervonden heeft wat voor een maatschappelijk aanzien hij daardoor verkrijgt. Los hiervan is geld kennelijk
    niet alleen het probleem geweest om de promovendi te begeleiden; de gebrekkige wetenschappelijke
    bekwaamheid van Van Kempen heeft eigenlijk de doorslag gegeven. Iemand die in het proefschrift van Van
    Kempen bladert , en in de dissertaties van degenen die bij hem gepromoveerd zijn , zal reeds in eerste oogopslag
    zien dat de veldgegevens niet zijn verwetenschappelijkt hetgeen inhoud dat er vanuit geraadpleegde
    wetenschappelijke literatuur geen verbindingslijnen zijn getrokken naar de verzamelde gegevens. Verder ontbreekt
    er een hoofdstuk in over de toegepaste onderzoeksmethode, kwalitatief en kwantitatief. Tot slot
    wetenschappelijke stellingen die doorgaans de uniciteit van het onderzoek affirmeren. Het UvA bestuur zal
    waarschijnlijk eisen gaan stellen aan deze factoren en niet zelden zullen andere hoogleraren Van Kempen op de
    vingers hebben getikt ten aanzien van zijn amateuristische onzorgvuldigheid. Jit Narain Baldewsingh laat zich
    weliswaar ruggensteunen en flankeren door deze hoogleraar maar daardoor is niet komen vast te staan dat deze
    dichter zich met enig technisch vernuft en uniciteit van anderen heeft weten te onderscheiden. Hierdoor ben ik
    geneigd hem te vergelijken met de hond Mutley in de gelijknamige cartoonserie. Mutley was er tuk op om vanwege
    zijn vermeende prestaties behangen te worden met medailles. Hij stak zijn pootje uit naar zijn baas en stootte
    schor uit zijn strot: “hebbe, hebbe… “. Richt ik mij tot de leden van het consortium die tot dit eensluidend besluit
    kwamen dan onttrek ik mij niet aan de indruk dat nepotisme en favoritisme het overwicht hebben bepaald. Ik weet
    dat het een Haagsche gewoonte bij diverse Hindoestanen is om zich ondanks hun minimum aan talent dat niet
    zelden gepaard gaat met een maximum aan geldingsdrang, op te werpen als wegbereiders en als jury . Willen de
    leden van het consortium beweren dat zij alle Hindoestanen van een bepaalde faam en allure waren nagelopen
    waarna zij hun noeste vlijt ten spijt exact bij Jit Narain Baldewsingh uitkwamen? Het wordt nog mooier als deze
    culturele prijs in de toekomst á la OHM een familieaangelegenheid wordt. Een ieder uit een Haagsche beslotenheid
    met een minuscule dilletante uiting kan dan gelauwerd worden met de Jit Narain culturele prijs, gepresenteerd
    door alle decadente punten nivellerende Michiel van kempen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *