Column Jan S. Soebhag – Aflevering 14: Het verhaal van de gebroeders Matádin en Kewaldár Trilokináth Willem

Het verhaal, van de gebroeders Matádin (Sridhar en Ramesh) en Kewaldár Trilokináth Willem gaat deels over hun voorouders, hun ouders en hen zelf. Daar zij deel uitmaakten van de Kabirpanthis in Suriname. Vooraf wordt er een samenvatting gegeven over deze religieuze stroming gegeven. Hierdoor wordt het lezen van hun verhaal begrijpelijk.

De Kabirpanthis is Suriname.
Een inleiding
De toenmalige Brits-Indië, vanwaar de Hindustaanse immigranten naar Suriname werden gebracht, heette in werkelijkheid Hindustán of Bhárat ofwel India. De inwoners waren Hindustanen (Nederlands) en in hun eigen taal werden ze Hindustánis genoemd. De twee grootste religieuze stromingen die naar Suriname kwamen waren uit de groep der Hindus en de Muslims, onderverdeeld naar een verschil in taalbenaming en godsdienst beleving met verschillende religieuze zijtakken of religieuze stromingen. De Kabirpanthi is een religieuze stroming van de Hindus. Wie zijn de Kabirpanthis. Zij zijn de aanhangers van de Kabir. De Kabir en de Kabirpanthi kennen als historische achtergrond het volgende verhaal.

Achtergrond informatie over de Kabirdás, zoals het aan Sridhar werd overgedragen
Het pas gehuwde echtpaar Niru en Nimá keerden huiswaarts terug. Tijdens hun terugreis zagen zij een kind op een lotusbloem in een vijver, de zogeheten Lahartál net even buiten de stad Vanárasi. Niru vond het kind zo mooi en zielig dat zij in de vijver stapte en het kind nam. Toen zij het kind in haar armen nam, begon hij te glimlachen. Ze brachten het kind naar huis. Bij terugkeer kwamen de buurtbewoners bij Niru en Nimá. Een ieder sprak erover dat Niru’s vrouw een kind heeft meegebracht.

De hele dag ging voorbij en niemand schonk aandacht aan het kind. Iemand uit de buurt bracht melk om het kind te voeden. Het kind weigerde en hij wees naar een 6 maanden oude kalf. Iedereen was verbijsterd, omdat de baby wees naar een 6 maanden oude kalf, dat geen melk geeft. Men probeerde het kalfje te melken en heel vreemd het kalf gaf gelijk een emmervol melk. Men constateerde dit als een wonder en het kind kwam dagelijks beetje bij beetje bij en groeide door.
Het kind werd op een dorpschool geplaatst en men vroeg naar zijn naam en niemand wist hoe hij heette en wie zijn ouders waren. Aldaar begon hij worderen te verrichten, waaronder het verdelen van verschillende vruchten uit 1 boom. Wanneer de onderwijzer hem les gaf, legde hij de onderwijzer uit hoe en wat van het onderwijssysteem.
Men was verbaasd over zijn handelingen als kind. En het vreemde was dat niemand zijn naam kende.
Niru en Nimá waren van oorsprong Muslims en zij behoorden tot de wevers beroepenklasse of de Julahá. Ze waren bekeerd tot het Hindu geloof en leefsysteem. Het kind Kabir genaamd groeide op in een Muslim gezin (Niru en Nimá), terwijl zij het Hinduïsme hadden aangenomen als hun godsdienst en ook alszodanig leefden binnen dit systeem.
Desondanks probeerden de Kájis (Muslim geleerden) hun heilige boeken te raadplegen een passende naam voor de jongen te zoeken. Elke bladzijde dat zij bestudeerden, kwam de naam Kabir te voorschijn. En dat was heel moeilijk omdat ‘Kabir’ de naam van de Almachtige is bij de Muslims. En omdat men geen uitweg had, kreeg de jongeman de naam Kabir.
Sridhar gaf enig uitleg van de naam Kabir en dat probeerde hij als vogt aan te geven: Vertaling: je bent niet jezelve, je bent je lichaam niet. Het geest staat in verbinding met de Almachtige.

Bole bun samáná samundra men, lakhi pare sabhi koi
Samundra samáná bun men, birle jáne koi…..
Als iemand komt te overlijden, dan zegt men dat het lichaam een lijk is. Als de geest uit het lichaam treedt en één wordt met de allerhoogste ziel weet men het niet.

Wij aanhangers van de Kabirdás hebben hem geaccepteerd als satguru. Onze leermeester.

Onze tempel, waar bij bidden en ons geloof belijden staat aan de Monplaisirweg te Pad van Wanica /een zijstraat van de Indira Gándhiweg. Aldaar komen de aanhangers van de Kabir bijeen en bidden en prijzen hun guru.
Een belangrijk boodschap van guru is dat de Hindus en de Muslims niet met elkaar moeten vechten. De Almachtige is een, de wijzen aanroepen Hem met verschillende namen. Hij is onze vader en hij is onze moeder.

Tumhi ho mátá ca pitá tumhi ho/ Tumhi ho bandhu, sakhá tumhi ho……….

Kabirdás leefde tot ongeveer 120 jaar en had duizenden assistenten en leerlingen, die zijn geloof over de hele wereld verspreidde. Deze bestonden uit de Hindus en de Muslims. Op een zekere dag zei Kabirdás aan zijn volgelingen dat hij zal gaan rusten en het lichaam verlaten. Er onstond een hele ruzie tussen de aanhangers onderling. De Hindus stonden erop dat zijn lichaam gecremeerd moest worden, terwijl de Muslim broerders het lichaam wilden begraven. Kabir probeerde een ieder te kalmeren en hun tot rust te brengen. Echter, de gelederen waren verhit en ze kwamen niet gelijk tot rust. Kabirdás vroeg hen om een laken (‘deken’) voor hem te brengen. Daarmee bedekte hij zijn lichaam. Het duurde te lang en Kabirdás reageerde niet. Op een gegeven moment zeiden de mensen die rondom hem zaten om het laken (‘deken’) weg te halen die hij over zijn lichaam had gedaan. Tot verbazing van elkéén zag men op de plek waar de Kabirdás zat, dat hij van daar was verdwenen en op de plaats witte bloemen stonden. De Muslim broeders namen de bloemen en de Hindus het laken en verplaatsten zich verder.

Foto (doc. J.S. Soebhag/ een moment opname) tijdens het interview geeft de informant Sridhar Mátádin uitleg over de cultuurgroep Kabirpanthi (jan. 2012)

De gebroeders Matádin met wie ik gesprekken heb gevoerd voor dit artikel heten: Sridhar en Ramesh Chandrebaan.
Sridhar is de oudste en is geboren op 28 juli 1935 in het district Saramacca (Tijgerkreek). Zijn lagere school opleiding (O.S. Saramacca) heeft hij op Saramacca genoten en vervolgens Graaf von Zinzendorfschool. Na de Muloschool trad hij in dienst bij het Korps Politie Suriname en vervolgens ging hij naar de Brandweer. Op 26 april 1958 trad hij in het huwelijk met Ardjoen
Parbatie. Samen met zijn vrouw heeft hij 3 kinderen.

Ramesh Chandrebaan. Hij is geboren op 19 november 1942 in het district Saramacca. Na de O.S. Uitkijk te hebben bezocht ging hij verder naar de van Sypestyn U.L.O school. Ramesh Chandrebaan is na zijn U.L.O. school ook in dienst getreden bij het Korps Politie Suriname. Op 01 december 1965 is hij gehuwd met Jankipersadsing Bidiawatie. Ramesh Chandrebaan heeft 6 kinderen.

Volgens hun eigen verklaringen is hun par-ájá Iser Ramdei, vroegere naam Ramdai no. 632/v uit India afkomstig en hij was een immigrant. De par-ájá (overgrootvader) en hun ájá (grootvader) zijn beiden uit India gekomen.
De par-áji Iser Ramdei was in 1868 geboren en gehuwd met Nirghien Joerki (geboren in 1866/631/v). Hun ájá heette Matádin en was in 1884 geboren in India. Ze vertrokken op 4 september 1893 uit India en zij kwamen in Suriname aan na boottocht van ongeveer 3 maanden. De grootouders (Jhinkoe Dás, náná van de Matádins) van moederzijde waren uit India en zij hebben hun contract uitgezeten op de plantage Smithfield in het district Saramacca. Zij hebben daarna ook in Saramacca hun leven door gebracht. De groot- en overgrootouders van vaderzijde hebben hun contract uitgezeten te La Proviance in het district Para.

De familieleden van moeders zijde van de Matádins die vanuit India naar Suriname kwamen waren kabirpanthis. De vader en zijn ouders en grootouders waren Sanátans. Ze zijn later bekeerd tot de Kabirpanthis. Na enige tijd behoorden hun kinderen en kleinkinderen ook tot deze religieuze stroming. En ze waren allemaal van kleinsaf vegetarisch. Dit legden de gebroeders Matádin uit en volgens een oude gezegde in het sarnámi:

(Sridhar): pujá guru ke ki jiye sab pujá yehi máyi, jab jal since mul, tab sakhá pattra ag-háyi, hetgeen inhoudt, dat wanneer je een plant in de grond stopt, het plant water (‘voeding’) vanuit de grond krijgt en het plant zal uiteindelijkgoed gaan groeien. Ook zei hij, dat er een God is en Hij wordt op verschillende wijze aangeprezen:
Nadi ek ghát bahut tere, bole kabir kahe bacan ke tere. De betekenis vertaalde hij in sranan als volgt: wan bon someni wiwiri. Deze uitspraken haalde hij aan als filosofie en uitspraken gedaan door de grondlegger Kabirdás van zijn religieuze stroming.

Op de vraag of zij in hun kinderjaren de armoede hebben gekend, verklaarden zij dat ze voor en tijdens de Tweede Wereld Oorlog waren geboren. De tijd was anders, hun vader was intussen in dienst getreden van de Politie en zij hadden vaste inkomsten. Beide broers zaten na hun school ook in de Politiedienst. Wat ze wel opmerkten was, dat er verschillende Hindustaanse gemeenschappen waren, vanwege hun geloofsovertuigingen. De één was Sanátan en kende andere geschreven en ongeschreven regels en leefwijze. Bij de Árya Samáj was het anders en bij de Kabirpanthis was het ook anders.
Hun voorganger en stichter (van de kabirpanthi) in Suriname was Jaganpati Sáheb Bhagandás. Sáheb Liládás, Sáheb Popaldás, Sáheb Sukháridás, Sáheb Somadás waren de eerste generatie Kabirpanthi voorgangers in Suriname.

Historische groepsfoto van de Kabirpanthi voorgangers en leiders (Foto doc. Kabirpanthi Gobind Mitrasing, 6 Feb 1974).

Momenteel is er nog een familie in saramacca, die behoort tot de Kabirpanthi. Tijdens het gesprek met de gebroeders Matádin kwam naar voren dat de voorgangers van de Kabirpanthis in Suriname onder druk kwamen te zitten van de Sanátan pandits, de zogeheten bábás. Dit gebeurde rond 1952. Toen ontvingen de Kabirpanthis veel ondersteuning vanuit de groep van de Árya Samájis. Heden ten dage zien wij dat de groep van de Kabirpanthis in Suriname uitgedund is tot ongeveer honderd en vijftig gezinnen.

De beleving
De aanhangers van de Kabirpanthis beleven hun cultuur en traditie op grond van de leer van de Kabirdás. Zij worden vooraf ingewijd in het ‘kabir-geloof’ en hier begint de beleving van hun cultuur, traditie en geloof. Zij hebben hierdoor een bepaalde leefwijze aangenomen. Ze zijn praktisch ingesteld en kennen een aparte zienswijze dan de Sanátanis of de andere stromingen binnen het Hinduisme. Zij geloven niet veel in de rituelen zoals de aangehaalde Hindu of de Islám stromingen het kennen. Zij geloven dat de geest bij de mens één is met die van de Almachtige. En wanneer iemand komt te ontvallen gaat de geest (ziel) terug naar de Ene alomvattende schepper van het heelal. Hun gebed en rituelen behelst veel lofzangen (bhajan). Wanneer zij een tempeldienst houden, plaatsen zij een Nisán (een vlag als teken; de Sanátanis noemen het een jhandi) en offeren zoetigheden ter ere van de Satguru, die hun een ‘nieuwe en praktische levensweg (levenspad) heeft gewezen’. Hun tempeldienst heet gaddi lagáwe.

De nisán bij de Kairpanthis worden alleen in naam van een Sádhu geplaatst, omdat hij de ingewijde of het gezin verder in zijn of hun leven zal begeleiden (cultureel of religieus). in feite gaat het om de praktische begeleiding hoe een Kabir volgeling door het leven zal moeten gaan. De volgelingen worden voorbereid op de ‘verlossing’ en éénwording met de Almachtige en niet om weder te keren. Heel interssant werd voor mij, toen ik aan Sridhar Mátadin vroeg hoe het huwelijk binnen hun gemeenschap plaatsvindt. Hierop vertelde hij dat het op een éénvoudige wijze gebeurt. De jongeman en het jong meisje binnen hun gemeenschap komen onder begeleiding van een ‘Mahant’, de voorganger of de religieuze leider naar hun tempel. Ze hangen elkaar een málá (aan elkaar geregen bloemenkrans) om, ontvangen de zegen van de ‘Mahant’ en het huwelijk is klaar/heeft plaats gevonden. Naar gewenst wordt een tempeldienst (gaddi) gehouden, maar is niet verplicht.
In Surinaamse gevallen is het uiteraard zo dat het huwelijk wettelijk geregistreerd wordt. Vermeld dient te worden dat wettelijke huwelijken nogsteeds een veel voorkomende huwelijkstraditie is in India. In Bollywood films ziet men heel vaak dat 2 verliefden naar een tempel gaan en al dan niet de locale- of de tempelpriester vragen om hun te zegenen. In armere wijken is zo een huwelijk een normale aangelegenheid, omdat men ook volgens deze traditie leeft.

De 16 sacramenten zoals die van de Sanátan Dharm, kennen de Kabirpanthis niet.
De 16 aanbevolen sankárs van Sanátan Dharmzijn:

  1. Garbhadán, de conceptie;
  2. Punsavan, vaststelling van de zwangerschap;
  3. Simantonayan, controle van de foetus en zorg voor de moeder;
  4. Játkaram, bij de geboorte;
  5. Námkaran, de naamgeving;
  6. Annaprashan, het aanbieden van vast voedsel;
  7. Curakaram, het kaalscheren van het hoofdhaar;
  8. Karnaved, het doorprikken van de oorlellen;
  9. Upnayan, de initiatie;
  10. Vedarambh, het begin van de schoolperiode;
  11. Samavartan, het beëindigen van de leerperiode;
  12. Viváh, het huwelijk;
  13. Grihasth, intrede in het gezinsleven;
  14. vánaprasth, zich terugtrekken uit het bedrijfsleven;
  15. Sannyás, intrede in het ascetisch leven als wereldburger en
  16. Antyeshti, crematie (of begrafenis).

Op een eenvoudige wijze vindt het huwelijk plaats, zo ook de begrafenis. Er is geen werkwijze, waarmee ze een overlijdensritueel uitvoeren. Ze bidden tot de Almachtige en hun guru om de ziel een goede plaats te geven bij Hem.

Wat is een gaddi.
Het houden van een tempeldienst bij de Kabirpanthi heet gaddi lagáwe, hetgeen inhoudt (vrij vertaald) dat:
(1) de leer van Kabirdás in zangvorm wordt gepredikt;
(2) de grondlegger van deze stroming wordt geprezen voor zijn inzichten en
het wegwijs maken van de mens in zijn ontwikkeling;
(3) aan de Almachtige wordt dankbaarheid betuigt.

Bij het plaatsen van de nisán worden heilige mantras (spreuken) opgezegd. Dit vindt ook plaats bij de aanvang van de activiteiten in de tempel. Dit alles vindt plaats in een schone en natuurlijk gereinigde omgeving met wierook, waarna men khanjari-bhajan (lofzangen) zingt. De khanjari-bhajans worden begeleid op ritmische toon van de khanjari (tamburin).
Na het geheel wordt offerandes (prasád of parsád) verdeeld onder de aanwezigen, terwijl men aan het einde van zo’n zang-gebed vegetarisch voedsel verdeeld onder de aanwezigen.
De khanjar-bhajan wordt nirgun en sargun genoemd.

De Nirgun
Nirgun betekent zonder eigenschappen (nir=zonder/gun= eigenschappen). Bij de Kabirpanthi houdt dit in, dat, god de Almachtige boven de houders van eigenschappen staat. Vanuit nirgun doet men kennis op.

De Sargun
AUM wordt gezien als de bron van de schepping, als nirákár (de oorzaak). Tamo-Gun, Rajo-Gun, Sato-Gun zijn de eigenschappen van de schepping en worden ook sákár genoemd. Dit zijn respectivelijk de scheppende kracht, de onderhoudende kracht en de vernietigende kracht. De elementen vuur, water, aarde, lucht en ether, gecombineerd met de natuurlijke elementen staan aan de basis van de materiele schepping. Vrijwel alle natuurkrachten, elementen, hemellichamen zijn goddelijke aspecten. De rode draad in het Hinduisme is dat de schepper in elk atoom, elke cel, zelfs in het luchtledige aanwezig is. Sarva-Byápak (alomvertegenwoordigd).
Zowel in Nirgun genre als in Sargun genre worden verschillende aspecten uit beide betekenissen bezongen in relatie tot de leer van Kabir en de Almachtige.

Kabirdás richt zich in zijn woorden en bhajans tot die ene, de almachtige Heer.
‘Rám Krishna so bará, unho to guru kinh’
Tin lok ke we dhani, so guru áge adhin’
Wie kent de glorie van ‘Rám en Krishna, niet. Maar ook zij hadden een Guru,
Beiden heersers van het universum, maar alleen dankzij een Guru’

 

Een gedachte over “Column Jan S. Soebhag – Aflevering 14: Het verhaal van de gebroeders Matádin en Kewaldár Trilokináth Willem

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *