Column Sebieren Hassenmahomed – Aflevering 44: Hafidjan: Ik weet hoe immigranten de plantage betraden

Ik was bij een kennis op visite waar ook Hafidjan aankwam. Een dame met rimpels in het gezicht en een aparte huidskleur. Ik begon prompt in het Nederlands met haar te praten tot de gastvrouw corrigeerde: “Zij is een Hindostaanse van  tweeënnegentig jaar die uitsluitend Hindostaans praat”, hetgeen ik ook hoorde en toch begon ik weer in het Nederlands.  Nadat ik Hafidjan gevraagd had voor het onderstaande spraken we met elkaar af, lees maar wat voor moois zij ons te vertellen heeft.

“Het komt vaker voor dat men de Hindostaanse in mij niet aan mijn uiterlijk herkent. Ik vind dat zeer onaangenaam. Er woonden ook anderen in de buurt en mensen zeggen dat als je tijdens de zwangerschap veel naar iemand gekeken hebt, kan jouw kind in de buik op diegene gaan lijken.

Ik heb met mijn beide ouders op plantage  gewoond waar ik  deels getogen ben. Ik heb vijf zussen en drie broers. Vanaf mijn zevende deed ik al het hele huishouden en ging  voor loon op de plantage van een witte eigenaar werken. Mijn zus en ik wisselden om de ene dag af wie wat kookte zodat er geen ruzie ontstond. We namen ons voedsel van huis mee die we na het koken inpakten voor iedereen. Het was dagelijks om half vijf opstaan en om zeven uur aanmelden. Ik ben een paar jaar naar school geweest en was heel knap want ik kreeg een acht, negen en een tien op mijn rapport. Het huiswerk van mijn zus werd ook door mij gemaakt. Aan de ene kant kreeg ik daarom pak slaag  van de schoolmeester en onderweg naar huis  takelde mijn zus mij af omdat ik haar niet goed genoeg had geholpen. Omdat we door een groot bos naar school gingen en er al drie kinderen waren verdwenen, stopten de mensen met de schoolgang van hun kinderen. Het is volgens mij nooit bekend geworden wat er met de kinderen is gebeurd. Misschien zijn ze door een roofdier opgevreten. Mensen dachten dat het mogelijk was dat leden van een andere bevolkingsgroep de kinderen hadden meegenomen.

Ik herinner mij geen juf op de lagere school, de meester was dhr. Koemar, hij gaf ook Hindi les. Naderhand hebben mensen mij terecht bewonderd vanwege het snelle hoofdrekenen. Een ambtenaar op kantoor had een keer opgemerkt dat ik ze allemaal in mijn zak zou stoppen als ik de kans had gekregen om verder te leren. Ik was beslist een dokter geworden en veel geld verdiend hebben. Vroeger zijn er veel mensen overleden door het gemis van artsen. Niemand van mijn generatie is verder dan een paar jaar naar school gegaan, allemaal hebben een baan gehad op de plantage van de ‘mandjha’, plantagebaas. Ik ken zijn naam nog. We hebben in drie ploegen gewerkt. De producten die wij klaar maakten waren voor de export bestemd. Mijn taak was om de koffie die in een machine was gedroogd uit te lezen. Dit deed ik geknield op de grond, daarom is mijn ene been krom gegroeid. Mijn moeder had beter moeten opletten. Dat werk deed ik voor vijfentwintig centen van zeven uur ’s morgens tot vijf uur ‘s middags. Ik werd door de volgende ploeg afgelost die weer om middernacht werd vervangen. Per dag verdiende ik  genoeg voor suiker, zout, olie, gele erwten en uien. Op Zondagen maakten we het hele huis schoon en werd alle beddengoed gewassen. De Prasara vloer hoefden we alleen maar te vegen. Echter toen we ‘khatmal’ of bedluizen kregen werd de prasara vervangen door planken. Planken vloeren werden met de houwer schoon geschrobd .

In mijn jonge jaren was er armoede maar we konden veel doen met het weinige dat we wel hadden. Voor twintig centen kochten we twee grote hopen kwie kwie, groenten had iedereen meestal genoeg op het eigen erf. De schaarste was ook ontstaan door een langdurige droogte. Van de plantage eigenaar kreeg ieder gezin een cassaveboom, een cassaveknol  was in die tijd zo groot als een pasgeboren baby.

’s Avonds als de baas ging slapen, stalen de werknemers rijst uit de fabriek. Ze deden dat bij toerbeurt opdat het de volgende dag niet zou opvallen. De moeders waren heel zuinig. Met een pakje meel dat een gezin kreeg werd er meer gedaan dan roti maken. Mijn moeder maakte  bijvoorbeeld meelballetjes die ze in de daal liet zakken. Om te vissen maakten wij een haakje van de pienahoekoe of kopspeld. Dat haakje was goed om sriba’s, kleine visjes te vangen, een rijstkorrel diende als aas. De srieba werd aan een stokje boven de houtskool geroosterd en met kop en al gestampt met zout en veel peper. Het was heerlijk op de warme rijst. De kleine garnalen vingen we met een net uit de brede sloot waar ze in grote getale aanwezig waren, ook die werden met kop en al met peper en zout gebakken om met warme rijst te eten. De bietawierie met grote malse bladeren groeide goed onder de koffiemama bomen. Van Gomawierie groente hield ik niet. Van de aroei  of chinese tajer maakten we ook ‘tjokha’ met citroensap overheen, de aroei bladeren dienden als groenten ook met citroensap . De bladeren van Dhaniamasala werden gestampt tot tjokha. Die plant groeide wel degelijk bij ons thuis. De gekookte groene banaan was ook heerlijk met tjatnie van peper en zout met citroensap. Al bij al zijn we de schaarste-tijd redelijk door gekomen. We stalen ook nog mandarijnen van de ‘mandjha’ nadat we een paar gegeten hadden wreven we onze monden met bietawierieblad. Mandjha wilde ruiken wat we gegeten hadden en controleerde wat we mee naar huis namen. Bij diefstal werd je opgesloten in zijn gevangenis vlakbij, iets meenemen mocht nooit, hij controleerde de tassen. Ook het fruit werd geëxporteerd net als cacao, die wij droogden en inpakten. Gebroken rijst werd apart ingepakt, ook die werd weg gesjouwd ondanks dat wij tekort hadden.

Mijn zus werkte in het huishouden van dezelfde witte ‘mandjha’. Zij kreeg soms rijst met bruine bonen en vlees mee die we thuis verdeelden. De vrouw van de mandjha bleef thuis, zij werkte nergens.

Mijn moeder maakte zelf onze kleding. Er was geen sprake van enige mode; drie gaatjes met een paar plooien werd al een jurk. Het werk voor loon van mijn moeder bestond uit onkruid weghalen tussen de koffiebomen. Sinds ik  klein was ging ik met haar mee, ik speelde in haar buurt. Mijn oudste zus is op dezelfde dag jaar als Prinses Juliana geboren, daarom had ze cadeautjes gekregen van de ‘bakra-mandjha’.

Toen er sprake was van het eventuele  huwelijk van mijn oudere zus en haar aanstaande schoonvader mij zag, besloot hij ook om om mijn hand te vragen. De Gauna, hetgeen inhield;  ‘meisje beloven tot ze geslachtsrijp is blijft ze bij haar ouders’, werd afgesproken. Op mijn elfde ging ik naar de schoonfamilie, heb daar nog met knikkers gespeeld. Toen mijn echtgenoot toenadering zocht, maakte ik dat ik wegkwam, desnoods bleef ik de hele nacht buiten. Hoe de familie ook met mij sprak, ik gilde en liep weg. Ik had geen geld maar kende ook de weg naar het ouderlijk huis niet. Hij kreeg mij een keer te pakken toen de familie niet thuis was. Aan hem had ik een lieve echtgenoot. Mijn deel van het werk op het land dat mijn schoonmoeder altijd verdeelde, deed hij bijvoorbeeld voor mij. Hij nam ook lekkers mee van de stad dat ik  ’s avonds stiekem opat. Omdat ik maar niet zwanger werd na zes jaar huwelijk werd ik door mijn schoonmoeder als “Baadjhien” bestempeld. “Baadjhien” was het scheldwoord voor een vrouw die niet binnen een bepaalde tijd baarde. Ons mooie huwelijk eindigde helaas omdat mijn schoonmoeder mij wegstuurde.

Ik ging terug naar mijn ouders die inmiddels verhuisd waren, werkte bij hen op het land zoals rijstplantjes uittrekken, planten, oogsten en alle ander werk dat gedaan moest worden. Voor de buitenwereld was ik een vlijtig kind dus was ik een ideale echtgenote waardoor er belangstelling ontstond voor mij. Ik werd  uitgehuwelijkt aan een man die jonger was dan mij, hij vond het geen beletsel, we trouwden. Ditmaal trof ik het pas slecht met de schoonmoeder, ik kreeg helemaal geen eten van haar. De buurvrouw schoof mij regelmatig iets toe. Ik raakte gelijk in verwachting van mijn eerste kind. Op de huwelijksdag had mijn moeder doorgegeven dat ik pas had gemenstrueerd als bewijs dat ik geen zwangere bruid was. Alsof de lelijke schoonmoeder niet genoeg was, ging mijn man een relatie onderhouden met een andere vrouw. Ditmaal wist ik de weg naar mijn ouderlijk huis wel. Geholpen door de buurvrouw maakte ik dat ik wegkwam. De weg liep door het bos en ik moest ook een zwamp oversteken waar ook kaaimannen leefden. Uit de zwamp gooide ik eerst mijn baby op het droge daarna klom ik omhoog.Terwijl ik snel liep keek ik ook steeds om of niemand mij achterna kwam. Ze haalden mij in en ik moest terug na een conclaaf bij de  ‘mandjha’, een soort buurthoofd, er was geen politie. De volgende keer liep ik weer weg omdat ik het niet uithield bij‘mensen die niet om mij gaven, mij zelfs haatten, ik werd geslagen, hij bewaarde afstand, ik voelde mij afgewezen.’.

Ook deze keer moest ik bij de mandjha komen om mijn actie te verantwoorden met het gevolg dat ik weer terug moest. De derde keer besliste de mandjha dat er maar gescheiden moest worden. We gingen voor de rechter en de scheiding werd een feit, ik was verlost van lelijke mensen, die ook op en aanmerkingen over mijn uiterlijk hadden gemaakt terwijl ze mij voor het trouwen hadden goedgekeurd.

Ik ben tijdens het huwelijk nog bij een overleg geweest bij de ouders van de buitenvrouw van mijn toenmalige echtgenoot. In eerste instantie wist ik niet waarom mijn aanwezigheid gewenst was, ze hadden mij laten roepen. Ik was bang. De mensen stelden mij gerust. Haar broers zaten in een kring met geslepen houwers om haar toekomst te bepalen aangezien zij in verwachting was. Nadat mijn man beloofd had dat hij haar in huis wilde hebben samen met mij, werd zijn leven gespaard. Mijn man was door hen bedreigd. Indien hij niet met een goede oplossing was gekomen zou hij in stukken worden gehakt, voelde ik aan. Voor straf opgelegd door haar familie, moest zij bij ons het huishouden doen omdat ze bewust een relatie was aangegaan met een getrouwde man.

Nadat ik een poos bij mijn ouders had vertoefd werd ik voor de derde keer uitgehuwelijkt.Het werd weer een familie waar al een zus was getrouwd. Voor het eerst had ik geen bemoeienis van een schoonmoeder. Mijn man en ik hielden van elkaar. Hij wilde mij niet eens missen voor visite bij mijn ouders. Hij zei letterlijk; ‘Je moet mij niet verlaten, als je vader jullie komt ophalen’. Ik wilde uit mezelf ook niet mee als mijn vader kwam omdat ik het gezelliger vond met hem. Mijn vader moest mij echt mee trekken. Met deze man ben ik voor het eerst heel romantisch naar de film in een theater  geweest. Ik had de smaak behoorlijk te pakken om iedere  nieuwe film te willen zien. Mijn man werkte ’s nachts en als de kinderen sliepen nam ik de gelegenheid waar. Achteraf werd ik afgestraft maar dat hield mij niet tegen. Ik ging toch zodra ik wilde.

Toen mijn zus werd afgedankt door haar echtgenoot, haalde mijn vader ook mij op. Mijn vader kwam met vijf man waaronder een bekende worstelaar ‘Witnan’ geheten. Pa had de mannen betaald.Toen pa de boot bereikt had met zijn beide dochters kwam een groep mannen met stokken verhaal halen. ‘Witnan’ heeft ze een voor een een mooi lesje geleerd. Vroeger ging men elkaar gelijk te lijf met grote stokken er werd niet gepraat. Uit schuldgevoel en angst wilde ik in het water springen ,maar werd vast gehouden. In de familie van vaderskant haalden ze hun dochters vaak op zodra hen een boodschap daarvoor  bereikte, daarom had mijn zus ook laten vragen of ze opgehaald kon worden.

Ik had thuis geuit dat ik  wel met mijn man zou mee gaan als hij mij zou ophalen. Toen dit bericht mijn vader ter ore kwam dreigde hij mij in stukken te hakken indien ik dat zou doen. Uit angst  heb ik het huis verlaten om mij te verstoppen. Mijn broer wist precies waar hij mij moest vinden en kwam met mij praten. Daarna durfde ik weer naar huis te gaan. Mijn man kwam ’s avonds daadwerkelijk  in de buurt voor contact met mij, hij stuurde ook boodschappen. Ik durfde niet in het donker en stiekem naar hem toe te gaan voor een ontmoeting, hoe zeer ik dat ook verlangde.

Zowel mijn Nana en Nanie als Dada en Dadie waren uit India. Ik heb veel gehoord over een boot met immigranten die bij onze plantage was aangekomen. De boot kwam luid toeterend en vlaggend aan. De contractanten kwamen met muziek en dans aan land. Ze hadden hun instrumenten meegenomen. Mensen van de plantage hadden  langs de kant staan wachten. De immigranten hebben de mensen  begroet met gevouwen handen. In de aangekomen  groep zaten ook kinderen die naarstig op zoek waren naar hun familie. De kinderen waren ontvoerd geworden, hun in India achtergebleven ouders wisten van niets.  De mensen werden in lange barakken, ‘lodjies’ genoemd, opgevangen. De meesten waren  paartjes. De volgende dag ging iedereen aan het werk, ook de kinderen. Bijna alle oude mensen die ik gekend heb waren immigranten. Mijn vader en anderen lazen uit de ‘kietaab’ en Koran die ze hadden mee genomen. Ze waren best belezen bij aankomst. Thuis gebeurde er niet veel met betrekking tot het geloof. Mijn vader blies de ‘nazar’ of  ‘oogrie’ eye weg bij mensen die erom vroegen, hij maakte ook een tabiedj, dat is een ‘doewa’, ‘mantar’ of gebedje bestemd om op het lichaam te dragen voor mensen die bescherming tegen kwaad  nodig vonden. Hij deed ook aan ‘Ienderdjaal’, een vreselijke vorm van zwarte magie, ‘djadoe’ of ‘oobja’  eentje die als gevaarlijke hokus pokus bij wet verboden was. Niemand heeft mijn vader verklikt waardoor hij zijn ding kon blijven doen.

Dada rookte een ‘cielam’ en dadie een ‘hukka’ ( waterpijpen) . Ze vertelden dat ze door Hindostanen in India waren geronseld. De geronselde  kinderen waren verkocht zeiden ze. In een groep van ongeveer dertig personen waren ze naar het depot gebracht voor vervoer naar Suriname. Ik heb ze zien huilen om hun familie, er is echt veel getreurd. Dada was moslim, zijn vrouw hindoe, ik ken haar hindoe naam ook nog.

Binnenshuis in de gezinnen ontstonden ook problemen zoals een dochter die bloedend bij de huisarts belandde. Bij onderzoek ontdekte de arts dat zij bevallen was. Omdat beide ouders bleven ontkennen deed de dokter aangifte. Bij de politie bekende de moeder dat zij de baby op het perceel had begraven nadat ze het met een kussen op het gezicht had laten stikken. Beide vrouwen zijn toen gevangen gezet. Niemand wist hoe ze aan de zwangerschap was gekomen.

In een andere situatie betrof het een broer die zijn zusje seksueel had misbruikt. Toen ze de baby gingen inschrijven, werd op kantoor gevraagd wie de vader was aangezien de moeder minderjarig was. Ook hier werd aangifte gedaan, de broer werd  vast gezet. Vroeger sliepen ook de opgeschoten kinderen bij elkaar vanwege ruimte tekort in de kleine huizen. Misschien zagen ze hun ouders als die intiem waren met elkaar waardoor ze op ideeën kwamen. Maar het kan toch niet dat een jongen zijn zusje als vrouw beschouwt? Misschien was hij verstandelijk niet in orde.

Na het overlijden van haar moeder nam de buurvrouw haar kleine zusje in huis. Als zij van huis was om rijst te planten heeft haar man het kind misbruikt. Toen ze bleef bloeden, stelde de arts vast dat ze door een volwassen persoon was gepenetreerd. Zij was heel klein, ik had zoiets nooit durven vermoeden. Deze situaties kwamen vaak voor. Een doofstom kind was door haar vader misbruikt. De moeder verliet allebei.

Vlakbij mijn nanie en nana had een rijke zuinige man veel percelen die hij verhuurde, hij kweekte ook veel buffels waarvan hij het vlees als die van de rund liet slijten, ook molk hij de dieren. De mensen hadden verteld dat hij een bariel met geld had gevonden toen hij bij een sloot een waterput voor zijn dieren aan het graven was. Het zal wel gestolen geld geweest zijn, denk ik nu. De bariel dreef er een poosje tot de man een werknemer opdroeg om het te pakken. Het was een zuinige man die ieder cent bewaarde. Hij gaf nooit wat uit, werd gezegd. Bij het oogsten van rijst moest iedere aar geraapt worden door zijn werknemers. Rondom de waterput  van die rijke man in het weiland stonden grote Alamoe bomen, dat waren een soort sinaasappels met figuren als krullen op de dikke schil. De schil werd in vier stukken gereten, niet geschild zoals bij de sinaasappel. Uit de grote waterput werd ‘plata-ede’ kwiekwie gevist waarvan nanie peprewatra maakte. De ‘soewalanja’ of zure sinaas was soms ook zoet. De Pommeroos of mini pommerak zie ik niet meer in Suriname, misschien is het uitgeroeid door een rups, die de wortels van de bomen kan hebben opgevreten.

Ik heb een deel van mijn jeugd bij mijn nana en nanie doorgebracht. Mijn moeder liet mij bij hen achter omdat er ook andere kleinkinderen daar woonden. De kleinkinderen woonden daar nadat hun moeder, mijn khala, was overleden. Zij overleed in het ziekenhuis nadat haar man, een alcoholist, ruzie had gemaakt met de arts, vertelden de mensen. Volgens mijn khaloe, haar echtgenoot, was het kwade opzet van de dokter om zijn vrouw dood te laten gaan. De dokter zou gezegd hebben ‘morgenochtend vind je haar dood’ hetgeen ook gebeurd was. Khaloe  kwam maar af en toe naar de kinderen kijken. Mijn nichten en neven zijn allemaal al overleden. Ik weet nog dat mijn nanie dagelijks een stapel roti’s bakte van ongeveer een meter hoog. Mijn moeder liet mij voornamelijk achter om met de anderen naar school te gaan.

Momenteel ben ik vijfendertig jaar in Nederland. Toen ik hier aankwam beviel het mij vooral omdat er geen muggen en modder was. De kou vind ik geen probleem omdat ik dan warme kleding aantrek. Het Nederlands beheers ik genoeg om mij te kunnen redden, maar het lezen lukt niet.

Mijn kinderen hebben allemaal een goed bestaan met uitzondering van eentje die een andere weg volgt. Hij is niet op andere gedachten te brengen. Als ik met hem bemoei, wordt hij heel grof. Zuiver door zijn botte gedrag  kunnen wij niet door een deur. Hij heeft niet eens een telefoon dat ik een keer kan bellen. Ik wil wel weten hoe het met hem gaat. Hij wil met niemand contact. Ik heb echt veel moeite gedaan om hem op het rechte pad te krijgen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *