Door Bris Mahabier
1. Mijn interesse voor maatschappelijke ongelijkwaardigheid
Mijn belangstelling voor slavernij en andere vormen van maatschappelijke ongelijkwaardigheid, zoals klassentegenstellingen, het erfelijke kastenstelsel in India en de vele vormen van gedwongen arbeid: galeislaven in de Oudheid, horigen en lijfeigenen in de Middeleeuwen en in Amsterdamse spin- en rasphuizen, is niet van vandaag. Misschien heeft dit iets te maken met mijn armoedige jeugd op het Surinaamse platteland! In de jaren zeventig kreeg ik het boek de Verworpenen der aarde (1961) van Frantz Fanon in handen. Van deze titel ging een extra impuls uit. Ik wilde meer weten over deze verworpenen, maar … Toen ik nog werkte, had ik weinig tijd om genoeg aan kennisuitbreiding buiten mijn vakgebied om te doen. Na mijn pensionering kon ik – eindelijk – deze lacune te lijf gaan. In de laatste decennia is de interesse voor het Nederlandse koloniale verleden, het Nederlandse aandeel in de trans-Atlantische zwarte slavenhandel, de doorwerking ervan, excuses en eventuele herstelbetalingen – ook bij vele Hindoestaanse Nederlanders toegenomen. Deze ontwikkeling is prijzenswaardig. Wat opvalt, is, dat er onder Hindoestaanse Hagenaars nauwelijks aandacht is voor de slavernij elders, m.n. in gebieden buiten de Nieuwe Wereld. In de wetenschap hebben deze slavernijen – ook recentelijk – degelijk aandacht gehad. Gelukkig! In het populaire domein wordt er nauwelijks gesproken over de slavernij in de Europese Oudheid of over de inheemse, de trans-Saharaanse slavernij en die van Oost-Afrika naar het Midden-Oosten en India. Ook de dubieuze rol van zwarte koningen, stamhoofden en krijgsheren in Afrika blijft onbesproken of onderbelicht. Dit geldt evenzo voor de rol van Arabische kooplieden bij de handel in zwarte en blanke slaven, slavinnen en eunuchen en voor die van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) en de East Indian Company (EIC), de eerste twee multinationals. De bedoeling is om in enkele artikelen enige aandacht aan deze onderwerp
en te besteden.
- Racisme: uitsluitend een gevolg van kolonialisme?
Slavernij is van alle tijden! Deze uitspraak is niet overdreven, wel enigszins clichématig, doch niet gespeend van relevantie. Dit geldt – helaas – ook voor vele andere maatschappelijke verschijnselen, zoals onrechtvaardigheid, de ongelijkwaardige positie van de vrouw, discriminatie op basis van o.a. huidskleur en geloof, racistische bejegening, afhankelijkheid van armen van rijken en etnocentrisch denken. In het Mauritshuis in Den Haag was er in november 2025 een drukbezochte conferentie over mogelijke doorwerking van slavernij en het Nederlands koloniaal verleden. Zo’n conferentie over dit thema was zeker niet de eerste in Den Haag. Verschillende inleiders deden hun best – sommige helaas in wollige taal – om de negatieve effecten te signaleren. Eén inleider had een collegeachtig literair en methodisch verhaal, dat nauwelijks geconcretiseerd werd. Een hoogopgeleide Hindoestaans Nederlandse dame stelde in de discussieronde – op vurige toon en in vlekkeloos Nederlands – dat discriminatie en racisme hun directe oorzaken vinden in het kolonialisme van West-Europese landen. Bestond er voor de opkomst van het westerse kolonialisme geen discriminatie en racisme? Deze boute uitspraak vanuit de zaal wekte mijn verbazing, die alleen maar groter werd, want niemand van de aanwezige Hindoestanen nuanceerde haar denkbeeld, dat niet geheel juist was. Beide ontmenselijkende euvels kwamen – jammer genoeg – al eerder in de geschiedenis van de mens voor dan het begin van de Europese koloniale veroveringen in de 16e eeuw. Zelfs in heilige geschriften komen er passages voor over slaven, richtlijnen voor slaafmaking, behandeling van slaven en een verklaring voor de zwarte slavernij! Met name de Hindoestaanse Nederlanders zouden het beter moeten weten, maar als ze van hun cultuurgeschiedenis en de eigen ‘heilige’ literatuur onvoldoende afweten … Zo zijn er vele hoogopgeleiden die doelbewust zwijgen over de achtergestelde positie van de tientallen shudra-kasten, de dalits (onaanraakbaren) en de ádiváshi’s (tribalen). Deze groeperingen vormen samen de meerderheid van de huidige bevolking van India die ongeveer 1440 miljoen zielen telt. Ook over de massaslachting van de donkerhuidige ráksha’s (monsters) in Zuid-India en op Shri Lanka, waarover het populaire heldendicht Ramáyan verhaalt, zwijgen hindoefundamentalisten in alle talen. Al zou de inhoud van dit als ‘heilig’ beschouwde epos fictief zijn, of gedeeltelijk of geheel emblematisch zijn bedoeld, dan nog … Het leeuwendeel van de Zuid-Indiase slechteriken is in dit verhaal als zwarte gedrochten beschreven! Albert Helman schreef in Den Haag in 1926 in zijn debuutroman Zuid-Zuid-West over Hindoestaanse immigranten, ‘uitgestoten onder de uitgestotenen’ (p. 27), aan het voormalige Pad van Wanica: ’Hun naaktheid en armoede belet ze niet heel veel te weten’ over hun oude cultuur. Zou dit hoge kennisniveau ook gelden voor Hindoestaanse Hagenaars van nu, velen hoogopgeleid en borend tot de stedelijke middenklasse?
- Eenzijdige beeldvorming, of niet?
Historici kunnen objectief zijn, maar evengoed kan er met de geschiedschrijving gemanipuleerd worden. Een eenvoudige manier om de vorming van een bepaald gewenst beeld te bewerkstelligen, is onevenwichtige selectie van literatuur (voor scholieren en studenten), m.a.w. het niet noemen van bepaalde boeken en wetenschappers. In het architectonisch imposante Mauritshuis in Den Haag – door een Oranjetelg met uitbuiting van Afro-slaven in Brazilië vergaarde winsten gefinancierd – was er in 2024 een gesubsidieerde Keti koti tafel o.l.v. twee Amsterdamse leermeesters. De twee ervaren gespreksleiders beoogden met deze bijeenkomst niet alleen een verdieping van het historisch bewustzijn bij de deelnemers te bewerkstelligen. Kennelijk zou deze bij een enkeling ook een helend effect kunnen veroorzaken. Hiertoe werd niet alleen dialoog, maar ook een traditionele maaltijd, een kalebas, een plengoffer en zang ingezet. De publieke belangstelling ook voor deze bijeenkomst was optimaal. Allen, die aan deze dialoogbijeenkomst deelnamen, kregen een in kleur gedrukte brochure met de prikkelende Sranantongo-titel ‘A Tori’ (Het verhaal). Onder de kop ‘Meer lezen’ stonden er op de pagina’s 34 en 35 acht titels van boeken vermeld. Allen behorend tot dezelfde categorie. Deze lijst begon terecht met Wij slaven van Suriname (1934), een scherpe antikoloniale aanklacht van Anton de Kom. Teleurstellend was het zeker, dat een boekje over Louis Doedel op deze lijst geen plekje had gekregen. Nog altijd wordt de betekenis van de arbeidersacties van deze sociaaldemocratische vakbondsleider onderschat en verzwegen. In deze opsomming van boeken miste ik ook de namen van wetenschappers als Wolter R. van Hoëvel (1854: Slaven en vrijen onder de Nederlandse wet), Rudolf van Lier (1949: Samenleving in een grensgebied), Ellen Neslo (2016: Een ongekende elite De opkomst van een gekleurde elite in koloniaal Suriname 1800-1863), Piet Emmer (2019: Geschiedenis van de Nederlandse slavenhandel), Henk den Heijer (2021: Nederlands slavernij verleden), Eric Williams: Capitalism and Slavery (1975, 4e dr.) en Karwan Fatah-Black (2021: Slavernij en beschaving Geschiedenis van een paradox). De blanke dr. Wolter van Hoëvel (1812 -1879) was theoloog, predikant, abolitionist en als lid van de Tweede Kamer had hij felle kritiek op de slavernij in Suriname. Reeds in 1854 publiceerde hij zijn boek Slaven en vrijen onder de Nederlandse wet, dat 296 blz. telt en nog verkrijgbaar is. Hierin trachtte deze overtuigde abolitionist het Nederlandse lezerspubliek te overtuigen van de noodzaak van de afschaffing van de slavernij.
- Mijn geschiedenislessen in Paramaribo
Tijdens mijn studie voor de onderwijzersakte op de avondkweekschool in Paramaribo in het midden van de jaren zestig kreeg ik gaandeweg het idee, dat grootschalige slavernij alleen in het Caribisch gebied, Latijns- en Noord-Amerika was voorgekomen. Evenzo dacht ik, dat uitsluitend zwarte West-Afrikanen door hardvochtige ‘blanke’ Europeanen tot het afschuwelijke slavenbestaan waren gedwongen, m.n. door mensenroof en oneerlijke ruilhandel. In die tijd gebruikten wij het ideologisch verantwoorde woordje witte nog niet. Enkele jaren geleden kwam ik tot mijn grote teleurstelling erachter, dat er in Suriname ook vele bruine slavenmeesters waren! Onze geschiedenisleraar, een nazaat van de Surinaamse bruine elite, vertelde ons, dat blanke scheepskapiteins slaven ruilden voor spiegeltjes, kraaltjes, katoenen lappen, kaurischelpen, oude geweren, munitie en prullaria. Over de rol van de zwarte slaven-‘makelaars’ werd er gezwegen. Mijn eenzijdige beeldvorming van de slavernij was hoofdzakelijk te wijten aan de beperktheid van deze niet-gespecialiseerde geschiedenisleraar en ons leerboek,
waarvan nota bene een Surinamer de medeschrijver was. De ontwikkeling van de Surinaamse geschiedenis (1e dr. 1953) was een leerboek dat op alle muloscholen, de Algemene Middelbare School (AMS) en de Surinaamse Kweekschool (SKS) tot in de jaren tachtig werd gebruikt. De studenten van de Surinaamse Kweekschool (SKS) kregen les van de toen nog kandidaat-historicus André Loor, een aimabele man en een boeiende verteller. Wij, studenten van de avondopleiding, moesten regelmatig veel aantekeningen van het bord overschrijven, wat ik niet deed. Op de Hendrikschool (mulo) heb ik Vaderlandse geschiedenisles gehad van de spierwitte lerares Arpots. We gebruikten een geschiedenisboek van de hand van De Haan. Ik ‘zag’ in mijn fantasie in de Oudheid Griekse en Romeinse galleien op de Middellandse Zee varen, geroeid door tientallen mannelijke slaven. In mijn beeldvorming waren al deze roeiers zwarte slaven uit Tropisch-Afrika. Ook dit beeld was niet correct. Immers, vele galeislaven waren veroordeelde misdadigers. In het derde muloleerjaar vertelde de korte meester Del Prado veel over de slavernij in Suriname en de moedige strijd van de marrons tegen plantages en koloniale witte en zwarte militairen. Pijnlijk was het om te horen, dat Afrikaanse slaven gekocht werden om als soldaten te vechten tegen hun soortgenoten, die vrijheid en veiligheid achter de watervallen of in onherbergzame moerassige gebieden hadden gezocht en dat enkele marrongroeperingen elkaar zelfs jarenlang bestreden hebben. De dramatische onthoofding van Bonni door een op wraakbeluste vijandige marrongroepring emotioneerde mij hevig, evenzo het verraad van Memre Boekoe in het Cotticagebied, een marronvesting o.l.v. Baron. Ook de rol van de marron- en inheemsenstammen, die vrede met de koloniale overheid in Paramaribo hadden gesloten en bepaalde vredesbepalingen hadden moeten aanvaarden, waren voor mijn gevoel dubieus. Via literatuur voor het vak Caraïbistiek leerde ik over blanke slaven, contractarbeiders, schuldslavernij in Amerika en misdadige ontvoeringen in de haven van Bristol. Voor mij waren geschiedenis en aardrijkskunde vakken die je zelfstandig, zonder een jaarlang lessen te volgen, uit boeken kon leren. Dat deed ik in 1969 samen met Maurits S. Hassankhan voor ons hoofdonderwijzersakte-examen. Maurits studeerde in Groningen als historicus af. Vóór 25 november 1975 keerde hij naar Suriname terug. Zijn doctoraalbul ontving hij thuis in het district Wanica per post. Worteling van slavernij in religieuze geschriften
Het verplicht bijwonen van het ochtendzegen uit een van de hoge, groene achterramen van het hoofdschoolgebouw, waarmee – bij goed weer – onze lesdag op de lagere christelijke Saron- en de Büchnerschool, gelegen in een volkswijk van Paramaribo, begon, liet mij meestal niet onberoerd. De meesters Elstak, een uitermate vriendelijke man en het streng ogende schoolhoofd Blijd waren echte meesters in het vertellen! Hun stem reikte ver. Ik luisterde altijd aandachtig naar de Bijbelse verhalen, voorgelezen of verteld. Helaas kon ik met de gezamenlijke psalmenzang, het geluid van honderden leerlingen drong als één stem door over het kerkhof, niet bevredigend meedoen. Ik kon nauwelijks zingen en kende de teksten niet. Jaren later kwam ik erachter, door lezen en mijn studie, dat in het Oude Testament er sprake was van o.a. slavernij, wraakneming, strenge straffen, uitsluiting, groepssuperioriteit en polygamie. Deze maatschappelijke instellingen zijn in strijd met onze moderne Eurocentrische opvattingen. Ook dat deze, nu als kwaadaardig beschouwde instellingen, niet resoluut werden afgewezen, maar zelfs gesanctioneerd leken door de hoogste bovenaardse Macht met verschillende namen aangeduid. Hoe positief waren meestal niet de verhalen, die deel uitmaakten van het ochtendzegen op onze lagere school. Door deze nieuwe tegenstrijdige informatie en inzichten maakten enige onzekerheid en teleurstelling zich van mij meester. Hoe kon een vredelievende, rechtvaardige God dulden, dat de ene mens de ander tot slaaf maakte? Dit vroeg ik mezelf reeds in mijn puberteit af. In Nederland kwam ik erachter, dat slavernij en slavenhandel door de heilige boeken van christenen, joden en islamieten absoluut niet werd afgewezen. Het is zeker waar, dat de islamieten de slavernij hebben overgenomen van hun ‘heidense’ voorvaderen uit de jahilia-periode (pré-islamitische tijd) en dat de islam deze aangepast en geconditioneerd heeft, die in bepaalde opzichten een zekere mate van lotsverbetering van de slaven inhield. Bij bestudering van Indiase sociaal-culturele tentamenliteratuur moest ik nog een teleurstelling incasseren. Immers, het játi-stelsel, een beroepsmatige indeling van de hindoesamenleving in kasten, die op geboorte was gebaseerd, kon als een geraffineerde en verkapte vorm van beroepsdwang, uitbuiting en sociaalruimtelijke apartheid beschouwd worden. Een onrechtvaardig stelsel, dat zich bijna drie millennia heeft kunnen handhaven! In één van de belangrijkste heilige boeken van hindoes verklaarde de 8ste incarnatie van God onomwonden, dat Hij de schepper was van het játi-systeem op grondslag van drie criteria. De structurele ongelijkheid tussen de hogere en de lagere hindoe-játi’s geniet zelfs bovennatuurlijke goedkeuring!