Moti Marhé’s rol in de emancipatiebeweging voor het Sarnámi
Door Bris Mahabier
Moti, bahut dhanyabád! (Moti, dankjewel!) Deze tekst is als een postuum eerbetoon bedoeld aan Moti(lall) R. Marhé (1943 – 2025) voor zijn grote bijdrage in de emancipatie van het Sarnámi, maar tegelijkertijd ook een gedeeltelijke beschrijving van de participatie van enkele leden van het Haagse links-progressieve Kollektief Jumpa Rajguru in deze ontwikkeling en evenzo die van sommige Sarnámisten. Met de term Sarnámisten bedoelen wij personen, die niet alleen de emancipatie van het Sarnámi als taal nastreven, maar ook de Hindoestaans Surinaamse volkscultuur waarderen en uitdragen. In deze terugblik worden i.h.b. de inspanningen en verdiensten van Moti R. Marhé, hoofdzakelijk zijn ontwikkeling als een in het Sarnámi gespecialiseerde taalkundige, geaccentueerd, maar waar nodig worden ook andere personen en feiten summier gememoreerd. Een selectie uit de grote hoeveelheid informatie kon niet vermeden worden. Hier en daar is er gezocht naar mogelijke verklaringen en verbanden, soms ook op grondslag van eigen ervaringen en indrukken. Hierbij is het risico van subjectiviteit niet geheel onvermijdelijk geweest.
1.Moti Marhé, een jonge Hindi-taalman in Paramaribo
Wat was de sociaal-culturele achtergrond van Moti Marhé? Moti had een Hindoestaanse midden-middenklasse, een liberale árya samáji hindoeachtergrond, soepel vervlochten met een westerse oriëntatie. Zijn vader was een tolk in de Nederlandse taal en zijn moeder een afgestudeerde van de Hendrikschool, een gerenommeerde mulo (= mavo). Zij werkte als bankemployé. Moti bezocht na de zesde klas (= groep 8) de A.T. Calorschool, een openbare mulo in Paramaribo. Vervolgens ging hij naar de driejarige Surinaamse Kweekschool (SKS). Hierna studeerde hij voor de hoofdonderwijzersakte, toen een driejarige hbo-avondopleiding met veel witte docenten. Ook zijn jongere broer Ratan volgde dezelfde studieroute, terwijl Mani, hun oudste broer, na de Algemene Middelbare School aan de TU Delft afstudeerde. Moti behaalde ook vier Hindidiploma’s o.a. Parichay (eindmulo-niveau voor één vak?) en Engels LO. Het Hindi-onderwijs werd in die tijd door de árya samáji beweging en de eerste Indiase culturele attaché enorm gepropageerd. Tijdens zijn hoofdaktestudie was Moti als onderwijzer werkzaam op de Sohansingschool en daarna als hoofd van de Virjanandschool, beiden van de vereniging Arya Dewaker in Paramaribo.

Door zijn studie van drie talen verwierf de jonge onderwijzer Moti in de kleine Hindoestaanse gemeenschap veel bekendheid en maatschappelijk aanzien. Vooral oudere, cultuurbewuste samáji hindoes hadden veel waardering voor Moti, de veelbelovende taalman. Hij was een van de weinige Hindoestaanse onderwijzers die Nederlands, Hindi en Engels beheerste. Het is zeker, dat in bepaalde opzichten dr. J.H. Adhin een tijdje als een rolmodel voor Moti heeft gefungeerd. Ook Moti vervulde in die tijd een rolmodel, zeker niet alleen voor zijn buurtgenoten. Hindoestanen, die met hart en ziel het standaard Hindi propageerden, zoals de árya samáji pandits, spraken vol lof over hem. Moti’s studiesucces en vooral dat van J.H. Adhin was voor hen het bewijs, dat je tegelijkertijd met een Nederlandstalige opleiding ook het Hindi kon leren. Het leren van de ene taal hoefde geen obstakel te zijn voor een andere. Dit hielden zij de Hindoestaanse jongeren en hun ouders voor.
Moti was in de jaren zestig bij de culturele attaché van India, wiens hoofdtaak de snelle verbreiding van het Hindi in Suriname was, kind aan huis. Op het kantoor van deze functionaris gaf Moti Hindiles aan enkele beginnersgroepen. Dat deed hij ook in zijn buurt in de galerij van de gerespecteerde samáji pandit Ramadhar Sitaram. Er ontstond een hechte samenwerking tussen Moti en Haridew Sahtoe, een buurtgenoot en onderwijzer. Na de afronding van zijn Hindistudie in New Delhi was Harridew Sahtoe de eerste persoon, die in Suriname les gaf in de taalkunde van het Sarnámi met versurinamiseerde leerboeken die hij zelf had geschreven. Ook Hrarridew heeft zich o.a. door Moti laten inspireren. Treffend verwoordde Sahtoe in zijn Sarnámi-gedicht Ham toke ká boli de heersende ‘naamsverwarring’ onder Hindoestanen m.b.t. hun moedertaal.
- Moti Marhé: de Hinditaalman wordt in Leiden een Sarnámist
Terugblikkend kan vastgesteld worden, dat Moti Marhé, die in Suriname in de jaren zestig met enthousiasme het Hindi-onderwijs had gepropageerd en ook pro deo had onderwezen, in Leiden-Den Haag vanaf 1973 de eerste persoon was die een lans brak voor onze moedertaal. Dit was een primeur. Of toch niet? Mr. Eddy Bruma en andere creoolse nationalistische studenten hadden ongeveer 20 jaar eerder hetzelfde gedaan m.b.t. hun moedertaal! J.H. Adhin had zijn moedertaal reeds in 1961 het ’Sarnámi Hindustání’ genoemd. Door het progressieve Haagse Kollektief Jumpa Rajguru werd in 1977 (?) deze naam door weglating van het woordje Hindustáni ingekort tot Sarnámi om het Surinaamse karakter van deze taal extra te benadrukken. Dit was vooral gebaseerd op de 15e stelling van de Engelstalige dissertatie van J.H. Adhin (Groningen 1961). Evenzo om onderscheid te maken tussen het Sarnámi en het Hindustáni dat in Noord-India werd gesproken. Later zouden Moti Marhé en dr. Theo Damsteegt aantonen, dat deze twee talen naast grote overeenkomsten in woordenschat, ook opvallende grammaticale verschillen vertoonden.
Dit was in Leiden een opvallende koerswijziging in het denken van Moti over de relatie tussen zijn moedertaal en het Hindi. De diglossieverhouding overheerste zijn beeldvorming van talen. Hij verruilde het standaard-Hindi, dat in Suriname alom geprezen werd voor zijn – taalkundig qua standaardisatie en literair gezien – nog onderontwikkelde moedertaal, echter Moti bestreed het Hindi en het Devanágrischrift absoluut niet. Hij wenste, dat er op de Surinaamse taalmarkt ook voor zijn moedertaal ruimte gemaakt zou worden. Een openlijke taalstrijd in de Hindoestaanse gemeenschap in Den Haag ging hij bewust en diplomatisch uit de weg. Dit gold niet bijv. voor Jit Narain en Bris Mahabier, twee radicale Sarnámisten, die naast dialoog en discussies verbale confrontaties met het invloedrijke Hindikamp niet schuwden. Zij wezen aanvankelijk ook het Devanagrischrift af! Moti Marhé drong er bij Haagse Sarnámisprekers aan op een normale waardering van hun moedertaal. Hierbij gebruikte hij als voorbeeld de veranderde houding van creoolse intellectuelen t.o.v. het Sranantongo, hun moedertaal. Moti trachtte de pleitbezorgers van het Hindi in Suriname en Nederland niet alleen te overtuigen van het algemeen aanvaarde beginsel van wetenschappelijke gelijkwaardigheid van alle talen, maar ook dat het standaard Hindi in geen geval de moedertaal van Surinaamse en Nederlandse Hindoestanen was; wel het gestigmatiseerde Sarnámi. Zou J.H. Adhin dit niet geweten hebben? In zijn streven naar emancipatie van het Sarnámi werd Moti door het Kollektief Jumpa Rajguru en de daaruit voortgekomen Sarnámibeweging krachtig en effectief gesteund.
In Leiden rijpte de moedertaalmissie van Motilall Marhé, zijn levenstaak. Deze formuleerde hij in zijn sociolinguïstische kandidaatsscriptie. Hiervan is de inhoud in aangepaste vorm als een bijlage bij Aisa Samácár door de Stichting voor Surinamers in Den Haag in 1978 gepubliceerd en daarna ook in andere bladen en twee boeken. De kernleden van het progressieve Kollektief Jumpa Rajguru formuleerden in 1978 een ruimere missie m.b.t. de Surinaams Hindoestaanse volkscultuur, waarvan de emancipatie van het Sarnámi, hun moedertaal, onbetwistbaar een relevant onderdeel was. Zij waren voorstanders van (her)waardering van verschillende delen van de Surinaams-Hindoestaanse volkscultuur. Op de bekende politieke leuze van de Verenigde Hindoestaanse Partij (VHP) uit Suriname ‘Ápan sanskriti bacáw’ (Behoud jouw cultuur!) repliceerde Jit Narain met de gevatte woorden ‘Ápan sanskirti barháw’ (Ontwikkel jouw cultuur!). Jit Narain, Raj (= Raj Ramdas) Gharietje G. Choenni en Chitra Gajadin voegden de daad bij het woord. Zij en later ook Rabin Baldewsingh en Raj Mohan namen de ontwikkeling van de Sarnámi poëzie ter hand. Rabin Baldewsingh debuteerde als prozaïst met een nouvelle.
3.Moti’s gematigd moedertaalnationalisme
Motilalls keuze voor onze moedertaal was een gevolg van zijn ontluikend taalnationalisme, geïnspireerd door de literatuur van o.a. C.A. Ferguson die hij voor het onderdeel sociolinguïstiek aan de Universiteit Leiden moest bestuderen. Zijn globale toepassing van de theorie van hoog en laag gewaardeerde talen op de relatie tussen het standaard Hindi en het Sarnámi Hindustáni was een verdienste van Moti Marhé. Dit besprak hij op een bijeenkomst in de studentenkamer van Djiet Baldewsingh in Leiden op 13 juni 1973. Zijn theoretische onderbouwing maakte indruk op ons. Er ontstond een levendige discussie over de taalsituatie in Suriname. Creools-Surinaamse studenten in Amsterdam waren 20 jaar eerder met hun taalnationalisme begonnen. Het is mogelijk, dat Moti ook kennis had genomen van de opvattingen van de Leidse professor Jan Voorhoeve, een kenner van het Sranantongo en de grondlegger van de creolistiek.

Volgens J.H. Adhin schreef Sabalsingh in het Sarnámi Hindustáni reeds in 1949 het lied Khabardár raho. Door de ahir-immigranten en hun kinderen van o.a. de Magentaweg en omstreken werden birhá’s (verdrietige scheidingsliedjes) in het Sarnámi Hindustáni – of het Sarnámi gezongen. Deze werden begeleid door nagárá-muziek, waarop door een mannengroep werd gedanst. Deze birhá’s maakten deel uit van de orale literatuur van Suriname. Wellicht kan ook één gedicht van Shrinivási (M. Lutchman) tot poëzie in het Sarnámi Hindustáni gerekend worden. Vanaf de algemene verkiezingen van 1949 werden er politieke pamfletten in het Devanágrischrift verspreid. Helaas zijn deze niet bewaard gebleven. Er is weinig zuiver Sarnámi literatuur van vóór 1977 bekend.
Bij de promotievoordrachten van zijn moedertaal op vele bijeenkomsten en in talrijke gesprekken, stuitte Moti op weerstand vanuit het Hindikamp. Moti werd met zijn nieuwe moedertaalopvattingen door zijn vroegere Hindi-sympathisanten nauwelijks begrepen. Wat moest hij ineens met een spraak, een boli, die niet eens een grammatica had? Het Sarnámi van Moti en Jit Narain was toch een tutal boli, een gebroken taal, vergelijkbaar met het Sranantongo? Tot een openlijke taalstrijd tussen Hindivoorstanders en Moti kwam het nooit. Hij was in staat om conflicten buiten de persoonlijke sfeer te houden. In Moti’s karakter was er geen ruimte voor rancune en in zijn werkwijze niet voor harde confrontaties en radicaliteit.
4.Mijn kennismaking met Moti Marhé
Drs. Motilall R. Marhé overleed op 82-jarige leeftijd in zijn woning in Den Haag op 5 december 2025. Zijn heengaan is in de eerste plaats een groot verlies voor zijn gezin en familie, maar ook voor de Sarnámisten en kan derhalve als een culturele aderlating voor de Sanámibeweging worden getypeerd. Moti Marhé was – in het bijzonder in de laatste kwart van de vorige eeuw – een bekende persoonlijkheid in de Haags Hindoestaanse gemeenschap. Hij was ongetwijfeld een exponent van de Sarnámibeweging. Moti zocht graag contact met anderen, zowel met ouderen als met jongeren. Dat ging hem gemakkelijk af. Moti was vanaf 1978 tot 1982 als voorlichtingsfunctionaris werkzaam bij de Stichting voor Surinamers in Den Haag. Juist in die hoedanigheid had hij veel contact met het Hindoestaanse ‘veld’, i.h.b. met pandits (= hindoepriesters), bestuursleden van welzijnsstichtingen, Hindleraren, studenten, oudere mannen en vrouwen.
Enkele keren ben ik met Moti mee geweest om enkele Hindoestaanse ouderen te bezoeken die in Haagse concentratiewijken woonden. Hij wilde mij laten zien, hoe sommige ouderen sociaal geïsoleerd in een verwaarloosde uitbouw leefden. Een andere keer – op een gure herfstavond – wilde Moti de Devanágri-manuscripten van de Brits-Indische immigrant Munshi Rahman Khan bekijken. Zijn kleinzoon Albert Rahman Khan, die in Den Haag woonde, had deze zorgvuldig bewaard. Moti heeft zich samen met anderen ingespannen om twee Hindi-dichtbundels van deze schrijver door de Stichting voor Surinamers 1984 gepubliceerd te krijgen. Ook onze twee gesprekken met áji (oma) Jhagroe Ramlali, de bejaarde moeder van de árya pandit-zanger Awadhbiharie Jhagroe, maakten indruk. Zij was de laatste immigrante uit Brits-Indië, die in Nederland nog in leven was. Haar levensverhaal is later door de NOS in een documentaire ‘De laatste kantraki’ in 1988 vastgelegd (zie YouTube). Moti Marhé was degene die haar kundig en geduldig interviewde. Hij vertaalde ook de ondertiteling.
Moti begon met zijn studie Nederlandse taal en letterkunde aan de Universiteit Leiden (UL) in de herfst van 1969. Reeds in het tweede collegejaar raakte Moti Marhé geïnteresseerd in de ondergeschikte positie van zijn moedertaal, die toen nog ‘Sarnámi Hindustáni’ of kortweg ‘Hindoestaans/Hindostaans’ werd genoemd. Sommige stads-Hindoestanen uit Paramaribo noemden hun moedertaal liever ‘Hindòstaans’.
Tegen het einde van de herfst van 1972 ontmoette ik Moti op de studentenkamer van Djiet Baldewsingh aan de Oude Vest in Leiden. Moti begon het gesprek met: ”Bris, tu jáne hai …” (Bris, weet jij dat…) Dit eerste gesprek ging over het Sranantongo en het Sarnámi Hindustáni. Voor mij was de Surinaamse taalsituatie niet mijn favoriete gespreksonderwerp. Ik was in die tijd intensief bezig met socialistische bewegingen in de Derde Wereld. In oktober-november van 1969 had drs. Hein Eersel, onze docent Nederlandse taal, zijn studenten van de hoofdakteopleiding middels zijn reader De Surinaamse taalsituatie in deze materie ingewijd. Moti had kennelijk via zijn broer Ratan Marhé, mijn klasgenoot, kennis genomen van deze taal-sociologische lesstof. In één van zijn lessen stelde Hein Eersel de vraag, of de moedertaal van de Hindoestaanse Surinamers het standaard Hindi was. Na 1972 sprak Moti het liefst over de ondergeschikte positie van het Sarnámi Hindustáni en de dominantie van het Sranantongo, het Hindi en het Nederlands. In andere actuele thema’s van sociaaleconomische en politieke aard was Moti in mindere mate geïnteresseerd. In mijn perspectief had hij als taalkundestudent een evidente voorkeur voor ‘zijn’ moedertaal, toen nog Sarnámi Hindustáni – in navolging van J.H. Adhin – genoemd.
5.De pilaren van de Sarnámibeweging
Drs. Moti Marhé was in 1985 met zijn leerboek Sarnámi Byákaran Een elementaire grammatica van het Sarnámi de pionier van de spraakkunst van het Sarnámi. In 1978 gaf hij de eerste aanzet tot de beschrijving van het ontstaan van het Sarnámi, de moedertaal van de Hindoestaanse Surinamers en Nederlanders. Dit was een primeur met verreikende gevolgen! Moti behoorde vanaf 1973 tot een groep van overwegend Leidse studenten met een kleine hechte kern, die in de beginfase streefde naar de emancipatie van alleen het Sarnámi. De latere (informele) Sarnámibeweging, voortgekomen uit het progressieve Kollektief Jumpa Rajguru (1977 – 1985) had een ruimere culturele doelstelling, nl. de emancipatie van de Hindoestaans Surinaamse volkscultuur. Jit Narain (schrijversnaam van Djiet Baldewsingh) was: Sarnámist, activist, huisarts en na zijn remigratie in 1992 ook commerciële landbouwer. Hij was met zijn 11 dichtbundels (exclusief een bloemlezing in het Nederlands en één in het Hindi en het Engels) de pionier van de Sarnámi-poëzie. Ook mr. dr. drs. J.H. Adhin en dr. Theo Damsteegt, hoofdmedewerker verbonden aan de Universiteit Utrecht en later aan de Universiteit Leiden, hebben in de jaren tachtig en negentig belangrijke wetenschappelijke bijdragen geleverd o.a. door verschillende aspecten van de grammatica, de fonologie, de spelling, de romanisering en het ontstaan en de ontwikkeling van het Sarnámi als een Surinaamse taal diepgaand te beschrijven. Van J.H. Adhin komt de tweeledige naam Sarnámi Hindustáni. Hij was de eerste die in 1961 stelde, dat ook het Sarnámi Hindustáni een Surinaamse taal was. J.H. Adhin ontwierp in 1964 een geromaniseerde spelling voor deze taal. Reeds in 1957 had J.H. Adhin de grondtrekken van een andere cultuurpolitiek voor Suriname geschetst. Zijn concept van Eenheid in verscheidenheid was als een alternatief bedoeld voor het door jonge creoolse nationalisten nagestreefde assimilatie-ideaal. Zeven Sarnámisten van het eerste uur (J.H. Adhin (?), Jan Soebhag, Harridew ‘Onkel’ Sahtoe, Cándani (Asha Rajkumar)Mustafa Nabibaks, Gharietje Choenni, Djiet Baldewsingh (Jit Narain) en Moti Marhé) zijn er – helaas – niet meer. Enkele anderen zijn niet meer actief. Rabin Baldewsingh, dichter, prozaïst en politicus, trekt ongeveer drie decennia de Sarnámi-kar gestaag voort. Sommige Sarnámisten, zoals Amar Soekhlal, pandit Suruj Bieré en Anand Rewat, leveren in het Haagse veld op het praktische niveau een niet te onderschatten bijdrage.
6.Moti Marhé en Jit Narain een tandem van Sarnámi pioniers?
Moti ontmoette in het voorjaar van 1971 Djiet(narainsingh) Baldewsingh die van Suriname onverwacht was teruggekeerd om aan de Universiteit Leiden zijn medische studie te hervatten. Djiet Baldewsingh had reeds op de Algemene Middelbare School (AMS) in Paramaribo kennis gemaakt met het creools culturele nationalisme, o.a. via twee literaire publicaties van Dobru (Robin Ravales) en twee gesprekken daarover met deze nationalistische auteur en activist. Tussen de medische en de taalkundige student, beiden vertrouwd met het agrarische milieu van vroeger, ontstond al gauw een sterke band t.g.v. hun moedertaal. Moti en Djiet spraken regelmatig over hun Surinaams-Hindoestaanse cultuur en historie. Na een korte tijd van rijping en wederzijdse beïnvloeding werd Djiet een felle medestrijder van Moti Marhé. Djiet kwam niet alleen voor zijn moedertaal op. Hij had forse kritiek op bepaalde delen van de religieuze praktijk van hindoes.

Djiet en Moti zouden, eerst gezamenlijk optrekkend en later individueel, maar altijd samenwerking zoekend met anderen, zich ontwikkelen tot de twee pioniers van het Sarnámi, dat tot dan toe door een aantal Hindigeschoolden publiekelijk was vergruisd. In de eerste fase was Moti stellig de sociolinguïstische gids van ons inzake het Sarnámi. Aanvankelijk voorzag hij ons van relevante informatie, meestal mondeling, maar soms ook in geschreven vorm. Naderhand namen Djiet en ik ook enige kennis van de taalactiviteiten van de creoolse beweging Wie Egie Sanie en van links-georiënteerde Surinaamse studentengroepen o.a. in Leiden en Nijmegen. Een onmiskenbare waardevolle verdienste van Moti in de jaren zeventig was, dat hij niet alleen Djiet Baldewsingh, maar ook Naushad Boedhoe, Bris Mahabier, Krishna Autar, Krish Bajnath, Ruben S. Gowricharn, Chitra Gajadin, Gharietje Choenni, Alma Mahawatkhan, Sila Bieré, Sita Kalpoe, Anand Rewat, Amar Soekhlal, Irene Ramautar, Bridj Ramautarsing, Ramesh Mahabier, Sheela Bainath Sah-Sahtoe en Soeresh Chotoe informeerde over het Sarnámi. M.u.v. de twee laatst genoemden, waren alle anderen – korte of lange tijd – lid van het Kollektief Jumpa Rajguru.
Moti ontwikkelde zich ongetwijfeld tot de pionier op het vlak van de taalkunde van het Sarnámi, m.a.w. het ontstaan, de spelling, de transscriptie, de woordenschat en de grammatica van deze taal. De ontwikkeling van het Sarnámi kwam al gauw in een stroomversnelling. De publicatie in 1978 van Moti’s sociolinguïstische artikel Waarom toch die emancipatie van het Sarnámi (een bewerking van zijn kandidaatsscriptie, supplement bij de 4e jg. nr. 9 -10, 1978) was voor ons een basisdocument. Djiet Baldewsingh, die onder het pseudoniem Jit Narain schreef, debuteerde in 1977 met zijn tweetalige bundel Dal bhat chatni. Door zijn opvallende voordrachten van eigen gedichten – meestal op een strijdbare toon en emotie oproepend – en zijn activistisch houding, werd Jit Narain de pionier op het gebied van de Sarnámi–poëzie. Hoewel ook Jit Narain niet zo lang was, was hij op Haagse informatie- en studiebijenkomsten in de periode 1973 – 1992 niet alleen zichtbaar, maar bovenal hoorbaar, terwijl Moti op zijn onverstoorbare en intellectuele manier middels dialoog zijn gehoor probeerde te overtuigen van zijn nieuw verworven taalinzichten. Het is voor mij problematisch om een acceptabele rangorde tussen deze twee eerste voorvechters van het Sarnámi te bepalen. Vanuit mijn lekenperspectief was Moti inzake Sarnámi taalkunde en Jit Narain wat Sarnámi poëzie betreft de pionier. In dit verband wil ik de wetenschappelijke bijdragen van dr. Theo Damsteegt (Universiteit Utrecht en Universiteit Leiden) inzake Sarnámi letterkunde en grammatica niet onbenoemd laten, alsook die van J.H. Adhin o.a. inzake de vaststelling van de officiële spelling van het Sarnámi in 1986.
7.Met pensioen en toch actief als … landbouwer en Sarnámist

Onloochenbaar was, dat het streven naar ‘die emancipatie van het Sarnámi’ grotendeels de culturele identiteit van de taalkundige Moti Marhé bepaalde. Na zijn welverdiende pensionering stortte hij zich bijna twee decennialang op commerciële groententeelt in Nederland o.a. van pompoen. In Wayambo in het district Saramacca plantte hij bakbananen en Thaise papaja. Het laatste was innovatief. Bijna alle kernleden van het voormalige Kollektief Jumpa Rajguru hebben agrarisch bloed door hun aderen stromen. In dit opzicht spanden Jit Narain en Moti Marhé de kroon in Saramacca. Tussendoor heeft Moti zijn basisartikel van 1978 Waarom toch die emancipatie van het Sarnami enigszins aangepast en aangevuld enkele keren opnieuw gepubliceerd, o.a. in Sarnámi, een kleine taal met een grote opgave (2017). Moti was ook in de laatste jaren van zijn leven ruimtelijk mobiel. Hij bleef in de dagelijkse ontmoetingen met Haagse Hindoestanen onvermoeibaar en geduldig tot het vroege einde van zijn leven een pleidooi voor zijn moedertaal houden. ‘Gewone’ Hindoestanen een draai van 180 graden t.g.v. het Sarnámi laten maken, is geen eenvoudige opgave. Motilall hoopte, dat kennisoverdracht de taalhouding van de Hindoestanen zou veranderen, zodat zij hun moedertaal beter zouden waarderen en veel meer gebruiken. Was zijn benadering beperkt? Verandering van taalattitude is niet alleen afhankelijk van kennisoverdracht. Zijn laatste krachtige optreden op een studiebijeenkomst van de stichting Ham Log was wellicht in het Nationaal Archief op 1 juni 2024. Twee Sarnámisten, Bris Mahabier en Moti Marhé, vormden tijdens de discussieronde een strijdbaar Sarnámifront. Twee bejaarden bestreden met verve, uit het oogpunt van eigen identiteitsbeleving, het gebruik van de onjuist gespelde term Hindostanen i.p.v. Hindoestanen. Voor dit terminologische euvel – ontstaan uit politiek correct denken en opportunisme – wezen zij twee ‘schuldigen’ aan…
- Enkele wapenfeiten van Moti Marhé als Sarnámist
In dit laatste paragraafje kan er volstaan worden met een korte onvolledige opsomming van publicaties van Moti Marhé over het Sarnámi en één als medeschrijver over de Brits-Indische contractarbeiders in Suriname. Hierin geven Benjamin S. Mitrasingh en Motilall Marhé commentaar op de beschrijvingen door de koloniale overheid van een aantal opstanden onder Hindoestaanse contractarbeiders van verschillende plantages in het district Commewijne. Eén van de opmerkingen uit het Hindkamp was, dat het Sarnámi geen grammatica zou hebben. Deze bewering werd door Moti in 1985 met zijn elementaire grammatica van het Sarnámi op een afdoende manier gelogenstraft. Eerlijkheidshalve dient opgemerkt te worden, dat er vóór 1986 verschillende, verwarrende spellingen van het Sarnámi Hindoestáni in Suriname in gebruik waren en ook enkele leerboeken.
Benjamin S, Mitrasingh en R. Motilall Marhé (5 juni 1978). Mathura, Ramjanee en Raygaroo. Den Haag: Stichting voor Surinamers.
Marhé R. (augustus 1978). Waarom toch die emancipatie van het Sarnámi? Supplement bij de 4e jg. nr. 9 -10 van Aisa Samacár, Den Haag: Stichting voor Surinamers.
R.M Marhé (1985). Sarnámi Byákaran. Een elementaire grammatica van het Sarnámi. Den Haag: Stichting voor Surinamers.
Motilal Marhé (1991). Hindoestaanse voornamen. Den Haag.