Náná
De zichtbare en onzichtbare natuur
Door Shiwdatt Ramdhari
Een biografische vertelling, gesitueerd in Paramaribo in de jaren zestig-zeventig van de vorige eeuw. Deel 1.
Wanicastraat
Plaats van handeling: Wanicastraat 111a, Paramaribo. Jaar: 1958. Op dit adres werd ik 68 jaar geleden geboren. Hier groeide ik op. En hier vond ook mijn vorming plaats. Ons gezin woonde op een erf in Paramaribo met voorin het huis waar náná en náni (ouders van mijn moeder) woonden met hun kroost. Van de vier kinderen was het oudste inmiddels getrouwd en woonde apart. Op hetzelfde erf. Dat was mijn moeder. Ons gezin bestond naast vader en moeder uit twee jongens en twee meisjes. Ook vier, dus. Hiervan was ik de oudste.
Frimangron
De Wanicastraat ligt in Frimangron. Zoals de naam reeds doet vermoeden, was dit het gebied waar eerst de Redi Musu’s en later de vrijgemaakten zich na de afschaffing van de slavernij mochten vestigen. Daar konden ze een nieuw leven beginnen. Die straat is later (in 2006) de Johan Adolf Pengelstraat gaan heten. Inderdaad, het kantoor van de NPS-voorman lag er ook aan. Volgens sommige bronnen was ook hij een kind van Frimangron.
De bevolkingssamenstelling van Frimangron was zeer divers. De creolen waren de grootste bevolkingsgroep. Aan de overkant van de straat lag de Kennedyschool. Een instituut voor dove en slechthorende kinderen. Hiertussen ook betrekkelijk veel kinderen uit het binnenland. Daarnaast de Sint Jozef meisjesschool, waar mijn oudere zusje op zat. Ze is twee jaar jonger dan ik. Tien meter aan de linkerkant van ons erf bevond zich de Pontewerfstraat. Deze was reeds in 1981 omgedoopt in Anton de Komstraat. Ja, u raadt het al: de bekende Anton de Kom woonde er. Tegenover zijn woning lag het Mr. Bronsplein waar voetbalwedstrijden en kermissen werden gehouden. Het Amerikaanse Conyisland was er ook vaak. Tot groot genoegen van ons kinderen, natuurlijk. Die locatie was vroeger een begraafplaats voor tot slaaf gemaakten. Ook in mijn tijd ‘spookte’ het in die omgeving heel erg. Tenminste, dat hoorde ik buurtbewoners vertellen. Tien meter rechts van ons erf lag de Nieuwe Domineestraat. Hierover heb ik niets bijzonders te melden dat relevant is voor dit verhaal. Die straat heeft geen naamsverandering ondergaan.
De Wanicastraat liep van Theater de Paarl – op de grens met Zorg en Hoop – tot aan de Gravenstraat. Uiteraard gezien vanuit ons erf. Dus: links Zorg en Hoop en rechts de Gravenstraat. Op de plek waar de Wanicastraat kruiste met de Gravenstraat begon de Kwattaweg. In het verlengde van de Gravenstraat. Anders gezegd: de Gravenstraat ging over in de Kwattaweg. En de Wanicastraat stond er loodrecht op. Een T-kruising, zogezegd. Ook de Gravenstraat kreeg later (in 2003) een nieuwe naam: Henck Arronstraat. Uit nostalgische overwegingen kies ik voor het vervolg van mijn opstel toch voor de benamingen uit mijn jeugd. De naamswijzigingen vonden immers plaats na mijn vertrek uit Paramaribo in 1975. Ik was toen 17 jaar oud.
Frimangron was in het begin een vrij klein gebied dat lag tussen twee parallel lopende hoofdwegen: de Wanicastraat en de Zwartehovenbrugstraat, beiden geasfalteerd en twee zijwegen van zand: de Drambrandersgracht en de Limesgracht. Die liepen eveneens min of meer parallel. Frimangron had daardoor de vorm van een soort rechthoek. In de loop van 1,5 eeuw vond er een uitbreiding van de wijk plaats. In alle richtingen. Dit was aanleiding voor latere discussies over de werkelijke omvang van het gebied. Voor dit verhaal vind ik de uitbreiding aan de kant van de van Limesgracht tot in ieder geval de Paarl (een paar honderd meter verder) gerechtvaardigd.
In de omgeving van de Paarl groeide de latere Haagse PvdA-politicus Johan Chandoe op. En ook de goudsmit en taekwondoleraar Ruben Gowricharn. Hij zou later in Nederland een dubbele studie volgen en uiteindelijk hoogleraar worden. Frimangron herbergde ook bekende creoolse families als Samson, Cairo, Snijders, Derby en De Waal. Bij Marlene de Waal thuis heb ik nog mooie toneelopvoeringen meegemaakt met mijn oudere zusje. Marlene leeft nog.
Het erf en haar bewoners
Vooraan de Wanicastraat stond het grote houten huis op neuten. De woning waar de kinderen van náná en náni hun jeugd en volwassenwording doormaakten. Naast de woning was er een smalle gang met een deur. Daarop een bordje met opschrift ‘Beware of the Dogs’. Maar honden waren er helemaal niet. Het diende alleen om onbevoegden af te schrikken. Was je de deur door dan kwam je op het erf terecht. Pal naast de ingang een waterkraan voor de erfbewoners. Verder stonden er drie blokken woningen voor drie gezinnen. Of alleenstaanden. Uiterst links achterop stond onze woning. Kleiner dan dat van náná en náni maar kwalitatief beter dan de overige woningen op het erf. Ook witgeschilderd. En op lage neu
ten. De bewoners van de erfwoningen waren voornamelijk Javanen. Door het jarenlange en innige contact met deze mensen leerde mijn moeder er vloeiend Javaans spreken. De vierde taal, naast het Sarnámi, Sranantongo en Nederlands die ze vloeiend en foutloos sprak. Als klein kind werd ik regelmatig in de slendang (rugdoek/draagdoek) meegenomen naar de stad. Door alle Javaanse moeders van het erf. En als ik begon te huilen omdat ik honger had, kreeg ik borstvoeding, vertelde mijn moeder. Dat heeft gezorgd voor een bijzondere band van mij met deze bevolkingsgroep. Wie ook op het erf woonde was meester Kortram. De heer Kortram was een groot gebouwde creoolse man die ongehuwd was. Hij had in zijn jonge jaren vloeiend Sarnámi leren spreken. En later ook Hindi geleerd. Meer nog: hij was Hindileraar op een hindoemuloschool. Hij werd zelfs de eerste directeur van de bekende Shri Vishnumuloschool in Paramaribo. En hij was dus ook de meester van de twee broertjes en het zusje van mijn moeder. Even tussendoor: mijn moeder was het enige kind uit het gezin dat na de lagere school niet verder was gegaan met de studie. Dat vonden náná en náni toen niet nodig. Mijn oudere zusje is ervan overtuigd, dat ze advocaat had kunnen worden. De overige drie kinderen zouden het later schoppen tot onderwijzer c.q. onderwijzeres. En een of twee met de hoofdonderwijzersakte op zak. ‘Kortje’, zoals Kortram door intimi werd genoemd, was als lid van onze familie. Hij ging overal mee naar toe in de auto’s van de mauwsá’s (broertjes van mijn moeder) en mauwsi (zusje van mijn moeder). We leerden ook zijn familie goed kennen. Regelmatig ging hij op eigen gelegenheid, of als hij toevallig in de buurt was, bij familieleden van ons op bezoek. Hij bleef er ook regelmatig overnachten. Bijvoorbeeld bij familie in De Boer Buiten (Kwatta). Wij op onze beurt brachten vaak lekkers voor zijn moeder die woonde naast de Palmentuin. Ook bezochten wij familie van hem op Zorg en Hoop. Kortram zou later het onderwijs vaarwel zeggen. Hij koos voor een baan als een van de eerste computerdeskundigen van het land. Eens liet hij mijn oudere zusje en ik de kamer vullende machine in de kelder van een groot pand aan de Waterkant zien. Deze computer werd gevoed met informatie die op ponskaarten was vastgelegd. Voor de huidige generatie computergebruikers onvoorstelbaar.
Náná en náni
Náná was een lange, kaarsrecht lopende en zelfverzekerde man die voorleefde wat náni met behulp van moraliserende verhalen probeerde duidelijk te maken. Aan ons kinderen, en anderen. Hij was een man van weinig woorden. Later begreep ik dat wat beiden door hun levenswijze lieten zien, gebaseerd was op ethiek c.q. moraal. Het belangrijkste onderdeel van iedere filosofie. Ethiek gaat over het juiste gedrag en moraal over de verhouding tussen goed en kwaad. En dan vooral de ethiek van Rámáyan, Mahábhárat, Puráns en Bhágavad Gitá.
Balkon
Náná zat regelmatig tot laat ‘s avonds in zijn schommelstoel op het balkon het straatleven in zich op te nemen. Of te mijmeren over allerlei morele en praktische zaken. Hij zat er ook te lezen in een klein boekje. Dat stopte hij altijd vlug weg als er iemand op het balkon kwam, vertelde mijn moeder. Ze vermoedde dat dat een gebedenboekje was. Nu weet ik niet of náná Hindi kon lezen. Nani kon het wel en las ons kinderen dagelijks uit het Ramayan voor. Met uitstapjes naar de andere bovengenoemde werken. Nana was religieus maar niet godsdienstig! D.w.z. hij was niet van de opvallende godsdienstuitingen. En hij was altijd kritisch richting pandits. Kathá’s (lezingen uit heilige geschriften door pandits) werden er thuis zelden gehouden.
Het balkon bood een vrij goed uitzicht over een deel van de Wanicastraat. Het was ook de plek waar de drie jongere kinderen hun lessen zaten te leren. Sommige op de vrijdag- of zaterdagavond tot na twaalven. Mijn moeder vertelde dat het regelmatig voorkwam, dat er na twaalven voor hun ogen op straat – dat moet ongeveer 20 – 25 meter bij hen vandaan zijn geweest – ronde stofwolken voorbij raasden. Met daarin lompen als een hoepel in het rond draaiend. Daarbij waren er ook allerlei lachende geluiden te horen. Alsof spelende kinderen lol met elkaar hadden. Náná vertelde de kinderen die op dat moment nog op waren dat dat bakroe’s waren. Ook mijn moeder heeft die taferelen meerdere keren ‘aanschouwd’. Náni vond dat maar niets maar náná was van oordeel dat de kinderen ook deze dingen moesten weten. Dit was immers ook deel van de werkelijkheid. Hij stond zijn kinderen als een goeroe uitleg te geven over de wereld van het niet-tastbare. Alsof het voor hem heel gewoon en vanzelfsprekend was. Vergeet niet: dit alles speelde zich af in Frimangron. Een gebied met een beladen geschiedenis. En waar veel energieën uit het verleden waren blijven hangen. Nana snapte die andere wereld van de niet-levende wezens, kende het en was er niet bevreesd voor.
Balata
Hij werkte overdag op Lande, een locatie gelegen tegenover het vliegveld Zorg en Hoop. ’s Avonds werkte hij als suppoost (controleur van toegangsbewijzen) bij Theater de Paarl. Niet ver van zijn werkplek overdag. De bewoners van zijn erf liet hij zonder kaartje doorlopen. Veel oudere Javanen bleken erg geïnteresseerd in Bollywoodfilms. Dat ze ook belangstelling toonden voor Ramlila had ik zelf kunnen vaststellen op Zorg en Hoop, Leiding 11 en andere plaatsen. Dan waren oudere Javanen altijd aanwezig bij de opvoeringen van het verhaal van god Rám, die dagen konden duren. Dat komt door de invloed die India in het verleden in geheel Zuidoost-Azië heeft gehad. Rámáyan en Mahábhárat maken daarom ook deel uit van het cultureel erfgoed van Surinaamse Javanen.
Door late filmvertoningen was náná genoodzaakt tot ver na twaalven naar huis te lopen. En in dat half uurtje kwam hij – weer volgens wijlen mijn moeder – entiteiten tegen. “Die grapjes met hem wilden uithalen”. Daarop trok hij de balatazweep die hij altijd bij zich droeg en ging ze daarmee te lijf. Op mij maakten deze verhalen van mijn moeder erg veel indruk. Hij stond ‘dicht bij’ de natuur met daarin allerlei krachten en machten, energieën en entiteiten. En wist hoe daarmee om te gaan. Wauw! Dingen waar ik erg bang van ben. En verschrikkelijk bang ook nog, eerlijk gezegd. Maar die ik gelukkig ‘niet kon zien’. Volgens wijlen mijn mauwsi omdat ik ‘een zwakke geest’ heb. “Alleen mensen met een sterke geest kunnen deze dingen zien”, zei ze eens. Wat was ik erg blij met deze tekortkoming.
Náná begon te werken bij de Paarl lang voordat hij het huis aan de Wanicastraat had laten bouwen. Hij woonde toen met zijn nog jonge gezin aan de Sohawanweg, een zijstraat van Oud-Charlesburg, aan het einde van de Mariestraat. Sohawanweg was voor ons ‘boiti’. De Mariestraat was een zijstraat van de Kwattaweg. Lopen van de Sohawanweg naar de Paarl koste anderhalf tot twee uur. En ’s nachts weer terug. Een fiets kon hij zich pas veel later veroorloven. Heenweg: Eerst de Mariestraat uitlopen naar de kruising met de Kwattaweg, daarna linksaf de Kwattaweg op richting het begin van de Gravenstraat. Met halverwege rechts en links oude begraafplaatsen ter hoogte van de Van Idsingastraat. Bij de overgang Gravenstraat en Wanicastraat aangekomen, rechtsaf de Wanicastraat in. De bocht om, naast het bekende zwembad Parima, lag ook een oude begraafplaats. Daarna alsmaar rechtdoor naar de Paarl. Ik weet niet meer wat mijn moeder had verteld over de aanwezigheid van straatverlichting in die buurt in die tijd. Maar wat vaststond: iedere avond weer ‘plagerijen’ van bakroe’s en andere entiteiten (azema’s en leba’s ). Náná had ook toen al die balatazweep bij zich. Die had hij speciaal hiervoor gemaakt. En “rende daarmee achter ze aan”. Daar bleken de entiteiten toch geen zin in te hebben en ‘maakten zich uit de voeten’. Aldus mijn moeder. Hij was nooit bang, nergens voor. Hij leerde zijn kinderen dat je eerder bang moest zijn voor levende mensen. Niet voor de doden. Beide broertjes van mijn moeder hebben later als uitgezonden onderwijzer in Saramacca respectievelijk Nickerie soortgelijke ervaringen met entiteiten gehad. En in huis ‘dingen gezien en gehoord’. Mijn moeder leek ook niet bevreesd voor zulke wezens. Ze vertelde mij dat ze niet bang was om ’s avonds laat een begraafplaats op te gaan. Voor mij hoogst onvoorstelbaar. Ze geloofde heilig in de lessen van haar vader. Náni daarentegen had voor haar kinderen slechts één bezweringsformule: ‘Dohái Hanumán swámi’. Sprak je die uit als je in een hachelijke situatie was terechtgekomen dan was je ervan verzekerd, dat jou niets kon gebeuren. Dat “ niets aan je lichaam zou komen”. Nana was niet van het defensieve maar van de aanval. Met zijn balata zweep. Hij scheen er genoegen in te scheppen om de entiteiten te zien wegvluchten. De beschermingsformule van náni heeft mijn moeder doorgegeven aan haar kroost. En dat heb ik goed in mijn oren geknoopt. Voor het geval ik het ooit nodig mocht hebben. Tot nu toe niet, gelukkig.