Amar K. Soekhlal
Ajá
Mijn ájá, Shankar Soekhlal, was een kantráki. Hij diende zijn contract op de plantages Mariënburg en Zoelen, beide suikerrietondernemingen waar het werk zwaar en onverbiddelijk was. Riet kappen, rietbundels sjouwen, sloten schoonmaken — dagen die begonnen vóór zonsopkomst en pas eindigden wanneer de zon onderging. Welke werkzaamheden ájá precies heeft verricht, weet ik helaas niet. Ook wanneer en waarom hij is overgeplaatst van Mariënburg naar Zoelen blijft in nevelen gehuld. Het zijn van die gaten in de geschiedenis die je moet leren accepteren, hoe graag je ze ook zou willen vullen. Na zijn contracttijd koos ájá voor een bestaan dat hij zelf kon vormgeven. Hij wijdde zich aan landbouw en veeteelt. Hij plantte groenten, hield rundvee, en gebruikte de mest van zijn veestapel om de akkers vruchtbaar te houden. Zijn koeien noemde hij cawwá, een woord dat mijn vader later ook gebruikte. Ájá heeft zich nooit beziggehouden met visvangst of jacht. Zijn wereld was die van zijn kheti (landbouw), het vee en het ritme van de seizoenen.
![]() |
![]() |
Landbouw en visserij
De generatie na hem koos een heel andere weg. Mijn vader, mijn dádá (oudere broer van mijn vader) en mijn káká’s (jongere vaders broers) waren fervente jagers en vissers. Waar ájá zijn grond bewerkte, trokken zij de bossen en zwampen in. Ik ben dan ook opgegroeid met kúkuhi, krobiyá, patáká, hertenvlees, flamingovlees, karkaráw, skúrki en nog veel meer. Heerlijk! Het was een wereld waarin de natuur om ons heen niet alleen voedsel gaf, maar ook avontuur, overleven in een bos en een vorm van vrijheid die ájá nooit heeft gekend.
Voor mijn vader — van oorsprong landbouwer — vormde de visserij bovendien een belangrijke aanvulling op zijn inkomsten. In 1964 liet hij op Lanti Bhusi (Wayambo) een visgat graven van ongeveer zeven kilometer lang. Tijdens het droge seizoen gaf hij tegen betaling anderen de gelegenheid daar te komen hengelen. Mensen konden er hun geluk beproeven. Mijn ouders moesten heel hard werken om alle eindjes aan elkaar te knopen. In onze omgeving, op Kwatta, was bijna iedereen landbouwer, vooral de tweede generatie die in Suriname was geboren. Het was het leven dat men kende: vroeg opstaan, de grond bewerken, oogsten, verkopen, opnieuw beginnen. Maar mijn ouders wilden niet dat de landbouw de toekomst van hun kinderen zouden zijn. Zij droomden van iets anders voor hun kinderen — een leven waarin je niet afhankelijk was van het weer, van de grond, van de grillen van de vrije markt. Vooral mijn moeder was daarin onverbiddelijk. Ze waarschuwde ons met de woorden: “Ná parhiye tab kúdár calaiye.” Ik wist toen niet wat het precies betekende, maar de klank alleen al was genoeg om je best te doen op school. Het was een dreiging die liefde droeg: een moeder die wist hoe zwaar het leven kon zijn, en die haar kinderen koste wat kost wilde beschermen tegen datzelfde lot.
Nostalgie
Van de hele generatie landbouwers in mijn familie zijn er vandaag nog maar drie die de traditie voortzetten: mijn neefjes Dewraj, Dinesh en Ravi. Mijn twee jongere broers, Ashok en Hariepersad — inmiddels succesvolle ondernemers — praten vol nostalgie over de landbouw van onze ouders. Ze hebben in hun jonge jaren vaak geholpen met het planten van diverse gewassen, en in hun verhalen hoor je nog altijd de gezelligheid, het familiegevoel en de trots van een geslaagde oogst. Ze zouden niets liever willen dan dat gevoel opnieuw tot leven wekken. Het visgat dat mijn vader in 1964 op Lanti Bhusi (Wayambo) liet graven, bestaat nog. Maar het moet voortdurend worden onderhouden, en dat is een kostbare en zware opgave. Hariepersad heeft het op zich genomen om niet alleen het visgat, maar ook het omliggende stuk land te onderhouden. Hij heeft er een kamp laten bouwen, met stromend water en licht. Zo zaten wij met de hele familie onder dat kamp, terwijl een zacht briesje van de noordoostpassaat langs ons streek. We genoten van jonge naryar (kokosnoot) en van ons samenzijn — dankbaar dat wij dit met elkaar mochten meemaken. Hariepersad benadrukte ook dat dit alles het nalatenschap is van onze ájá, ájí en onze ouders. Het zijn de stille getuigen van hun opoffering, hun ondernemingszin en hun vindingrijkheid. Zij wisten immers vissen te vangen in de sampu (zwamp) en daarmee bij te dragen aan het levensonderhoud van hun gezin. In dat visgat vangen wij niet alleen nog steeds vis, maar dat visgat is ook geschiedenis: de echo van de arbeid van onze maiyá en bappá, hun doorzettingsvermogen en hun liefde voor het gezin dat zij wilden laten groeien.
Ghoghoh
De dagen rond het visgat hadden iets melancholisch. Het was niet zomaar een plek waar je vis ving; het was een plek waar verhalen, herinneringen en familie samenkwamen. Mijn vader had er zijn lessen doorgegeven, mijn broers en ik hadden er onze eerste successen én mislukkingen beleefd. En nu, jaren later, stond ik er weer — ouder, misschien wijzer, maar nog steeds met datzelfde kinderlijke gevoel van verwachting. Het water leek rustiger dan vroeger, maar schijn bedriegt. Onder dat stille oppervlak speelde zich een wereld af die je alleen begrijpt als je ermee bent opgegroeid. En precies daar, op die plek vol herinneringen, besloot ik na tien jaar weer een cás (werpvisnet) te gooien.
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
Moen, de lokale ondernemer die graafwerkzaamheden verricht, was bezig het visgat verder uit te diepen. Omdat wij wisten dat in dat water veel vis zat, zei Hariepersad: “Am, cali machri bine” (Am, kom we gaan vis rapen). Elke keer wanneer Moen met zijn graafmachine een grote smak modder en water op de dam zette, nam hij ook veel vis mee: krobiyá, patáká, walápá, maar ook slangen zoals een bomá en de ghoghoh. Van die laatste had ik nooit eerder gehoord, maar het schijnt een soort roofvis te zijn, afkomstig uit Brazilië. Hij eet alle kleine visjes op, smult van de eitjes, en zorgt zelfs voor dijkverzakkingen. Kortom: een ramp voor vissers zoals mijn hele familie, die graag gaat vissen. Die ghoghoh lijkt op een kúkuhi en is gelukkig niet gevaarlijk. Ik ging op een andere dag samen met mijn broer Henny bhái cás “gooien” in datzelfde visgat. Met een cás vis vangen is een kunst. Je moet de cás niet zomaar lukraak in het water werpen, maar rustig wachten tot een vis gaat búlke (wie kan mij helpen met het vertalen van dit woord?), dan pas moet je de cás werpen, als een ronde hoepel. Alleen dan heb je kans dat je vis in je net krijgt. Het was best spannend, want ik had in geen tien jaar een cás “gegooid”. In stilte wachtte ik tot de eerste vis ging búlke. Henny bhái zei heel zachtjes tegen mij: ”Am dekh búlkal.” En ja hoor, daar was mijn moment: ik wierp de cás in een mooie ronde vorm, precies in het midden van de búlke. Mijn jongere broer Ashok is een ware kunstenaar in het werpen van de cás en kent alle cori’s(werptechnieken). En hij zei: Am”, caswá direct ná ghai-ci-ye. Even sáká hoi diye”. Deze truc had hij van onze vader geleerd. En ik wachtte totdat de cás, die aan de uiteinden verzwaard is met stukjeslood, de bodem van het visgat had bereikt. Langzaam trok ik aan het touw waarmee de cás is verbonden. Ik voelde het heen en weer gaan van het net onder water — een teken dat er vis in zat. In mijn gedachten zag ik een net vol vissen en een licht euforisch gevoel trok door mijn lichaam. De cás was zo zwaar dat Henny bhái mij kwam helpen om hem naar boven te trekken. Vol verwachting keek ik naar die cás. Beste lezer, geen enkele kúkuhi, krobiyá, patáká of walápá. Zelfs geen sirká sáreke. Maar wél zeven joekels van ghogho’s. Zeven! U begrijpt het: mijn teleurstelling was groot. Ik baalde als een stekker. En dan rijst de vraag: wat doe je met zeven roofvissen? Teruggooien in het water, zoals mijn tere hart mij influisterde — beïnvloed door de Partij voor de Dieren in Nederland. Maar in Suriname is het heel gewoon dat je met een scherpe katlis (houwer, machete) de kop van de ghoghoh afhakt. Heb ik dat gedaan? Of heb ik ze toch stiekem terug in het water gegooid?
Machri bine
Elke keer wanneer Moen met de stalen bak van zijn graafmachine een lading klei en water op de dam kieperde, begon mijn werk. Ik moest de meegekomen machri’s bine (oprapen). Dat was geen eenvoudig karwei. Mijn laarzen bleven telkens vastgezogen in de modder, terwijl ik ook moest opletten dat ik geen “prooi” werd van een bomá. Volgens Dewraj is een bomá niet sterk op het droge, maar des te gevaarlijker in het water. Toch nam ik geen enkel risico. De dam was spekglad, en met vallen en opstaan raapte ik de vissen op. Een walápá pakken was het lastigst: die is zo glad als een stuk zeep. Elke keer wanneer ik dacht hem te hebben, gleed hij weer uit mijn handen. Hariepersad aanschouwde dit hoofdschuddend aan zei: “Am, plátá howruwá se okar muriyá pe már.” Een kind kon de was doen, dacht ik. Dus pakte ik de katlis en probeerde de walápá op zijn kop te raken. De eerste keer sloeg ik finaal mis — hij was me te snel af. Ondertussen zag ik er, door al het opspattende modder en klei, uit als een echte machar marwá (visser).
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
Soekhlal-food. De Zondag van Ashok en Lalita
Het was zo’n Surinaamse zondag die ik nog herinner uit mijn jeugd. De zon die opkomt en je de warmte van de wind al begint te voelen. Zondag was mijn favoriete dag, omdat het een soort feestdag was. Er werd altijd lekker gekookt, en familie kwam langs. Vanuit mijn slaapkamer hoor ik hoe maiyá bezig is om een lekkere maaltijd voor te bereiden. Soms vis of kip, met roti en groente. Ashok en Lalita hadden het al weken aangekondigd: “Itwár ke hamre ghare”. En zoals altijd wanneer zij roepen, komt iedereen. Niet uit verplichting, maar omdat hun huis voelt als een ankerpunt in onze familiegeschiedenis. Ik ben in Suriname opgevoed met vis en wildvlees en elke keer als ik daar ben, dan ga ik vissen samen met de familie, met cárá (aas)of met een cás. Mijn zussen — en inmiddels ook mijn chotki’s — kunnen zo heerlijk koken dat geen sterren chef daar tegenop kan. Op een zondag organiseerde Ashok samen met zijn vrouw Lalita een familiereünie. Op het menu stond uiteraard de door mij gevangen vis, maar ook sekwá roti van cassave, dálbhari roti, koro, kusbánti, en ám ke cokhá. \Ashok had in de buitenlucht, onder de brede schaduw van een oude mangoboom, ronde tafels neergezet. Op de tafels stonden kannen met koud water, kleurige dranken in glazen flessen, en schalen die nog leeg waren maar algauw gevuld zouden worden. Het zag er heel feestelijk uit. “Hé bhái, tulog ai gaile? Am, kom kijk die vis van jou. Lalita en Lien didi hebben al plannen mee hoor.” Lalita en Lien didi stonden in de keuken, hun handen vol kruiden. “Deze vis van jou, Amar bhái, dit is geen vis, dit is mehnat ke kamái, maar ook een echt verhaal,” zei ze lachend. “We maken sekwá roti van cassave erbij. En dálbhari roti, koro en kusbánti. En ám ke cokhá. Vandaag eten we zoals vroeger.” De lucht vulde zich met geuren die je nergens anders vindt: geroosterde cassave, warme massálá, de zoete scherpte van mango die langzaam tot cokhá wordt gestampt. Buiten zaten de andere broers en zusters al te praten. Een vertrouwd geroezemoes en uiteraard aangevuld met veel visserslatijn. “Herinner je nog,” zei mijn oudste broer Ram, “die zondag toen ik drie vissen tegelijk ving? Hij liep alsof hij de koning was.”
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
“Amar,” zei, “Sila didi, maiyá zei vroeger altijd: ‘Eten is liefde.’ Daarom kook ik zo. Daarom komen jullie allemaal.” Ik knikte. “Ja. En omdat jullie beter koken dan alle sterrenchefs bij elkaar.” Ze lachte, maar haar ogen werden even vochtig. “Maiyá zou dat mooi gevonden hebben.” Henny bhái ging naast Ashok zitten. Hij keek naar de karahiyá met de vissen, maar zijn stem was zachter dan zijn woorden. “Henny bhái… weet je nog? Vroeger, toen Bappá op zondag altijd zei: ‘Vandaag eten we samen. Vandaag vergeten we de wereld.’” Hij knikte. “Ja. Ik hoor het nog.” Ashok legde zijn hand even op zijn schouder. “Vandaag doen we dat weer.” En op dat moment voelde ik het: dat diepe, warme besef dat familie niet alleen bestaat uit mensen, maar uit herinneringen die blijven hangen in ons geheugen. Lieve broers en zusters, zoals Sila didi elke ochtend zo liefdevol schrijft, wil ik jullie bedanken voor de fijne, warme en liefdevolle vakantie. Voor altijd blijven wij hamlog das jane, verbonden in herinnering en in hart. Onze lieve zus Parbha (Baso) behoudt haar plek in ons midden, en moge haar átmá ons blijven zegenen met rust, kracht en summat (saamhorigheid).













