Door Shiwdatt Ramdhari
De wereld van de zintuigen
Hier was iemand bezig, die zicht had op die andere wereld die wij, gewone stervelingen, niet kunnen zien. En die wist hoe hiermee te ‘dealen’. Die wereld waar de westerse wetenschap geen grip op had, niet geïnteresseerd in was en verkondigde dat alleen dat bestond wat door de zintuigen kon worden waargenomen. Of vastgesteld. Daarmee werd de leefwereld van de mens wel onnatuurlijk klein gemaakt. Náná stond in de oosterse traditie van naar binnen kijken (introspectie) en onderzoek van de wereld van de geest. En van het onzichtbare, het ongeziene, het niet tastbare, het bovennatuurlijke. Hij stierf voordat ik hem kon vertellen, dat ik passages uit de Indrajál had gelezen. Om vervolgens vast te stellen dat het in eenvoudig Hindi was geschreven. Mijn angst voor eventuele gevolgen was er de oorzaak van dat ik dit geheime boek uit India niet systematisch heb doorgenomen en bestudeerd. Hoe eenvoudig geschreven en helder de instructies voor het uitvoeren van handelingen ook waren. Ik was er zelfs bang van dat lezen van passages enge dromen zouden kunnen opwekken. Die bleven gelukkig uit. En het boek, dat heb ik ergens onvindbaar in een doos opgeborgen in de berging. Zowel de gewone, kleine uitgave, als de uitgebreide versie voor specialisten.
Saramaccaanse guru’s
Een deel van de vorming van náná vond plaats in Saramacca. Náná was nog een kind en woonde met zijn ouders en zusje in dit district. Hier was ook mijn latere schoonvader geboren. De omgeving was er bosrijk. En hij leerde er onbevreesd omgaan met enge dieren als slangen en kaaimannen (krokodillen). Dieren waar ik als stadsmens ook erg bang van was. En ben. Nog steeds, ondanks 50 jaar verblijf aan de Noordzee. Het kostgrondje en de rijstvelden van de familie waren niet dicht bij huis, maar een stukje het bos in. Met tussen de rijstplantjes talrijke nesten van kwiekwie’s (meervallen). Behalve de vissen, ook de eitjes hiervan waren erg gewild. Het gezin woonde aan de waterkant. Regelmatig gingen bewoners van het oerwoud langs in hun korjalen, boten. Zogeheten marrons, verre buren. Ook bezochten de Saramaccaners regelmatig het gezin waarin náná opgroeide. Mijn moeder vertelde dat de marrons eens vroegen of ze hun zoon voor een week of langer naar hun dorp mochten meenemen. Náná moet toen rond de 10 -12 zijn geweest en was er wel voor te vinden. Zijn ouders hadden er geen bezwaar tegen en vertrouwden hen hun zoontje toe. De kleine Rampalath werd toen in een korjaal of bootje meegenomen. De rivier op. Het bos in. Na een lange tocht over het water. Na een week – of soms langer – werd hij weer veilig teruggebracht. Het gebeurde vaker dat hij ‘uit logeren ging’ bij de marronburen. Daar, in het Saramaccaanse oerwoud, vond zijn verdere training plaats. In het omgaan met de zichtbare en onzichtbare natuur. Wat hij daar bij de marrons gegeten heeft, weet ik niet. Of hij veel last had van muggen, weet ik evenmin. Hoe eventuele verwondingen zijn behandeld wist mijn moeder ook niet te vertellen. Wel was ze ervan overtuigd, dat hij daar moet hebben geleerd van zijn Saramaccaanse leermeesters hoe de natuur met alle daarin aanwezige krachten, machten, energieën en entiteiten echt werkte. En hoe je hiermee moest omgaan. Alleen weinig antropologen (cultuurwetenschappers) en ethnobotanici (biologen met een speciale belangstelling voor de geneeskrachtige werking van planten en bomen) moeten een beetje hebben geproefd van deze wereld. Op de hogeschool van de jungle leerde je dat sommige bomen niet zomaar omgehakt mochten worden. Of dat een schuimende houtmierennest ‘niet mocht worden gestoord’. “Daar woonde iets in”. Bouwstenen voor een antropologie van het ongeziene?
Bewakers van het terrein
Nog een staaltje kijken in die andere wereld. Maar nu op een andere manier. Op het erf aan de Wanicastraat had je helemaal achterin de overbekende toiletten op een rij staan, zoals je die veel op erven in Paramaribo ziet. Meer bekend als privaten. Deze waren zo’n 7 – 8 meter van ons huis verwijderd. Aan de rechterkant van het perceel de douchegelegenheden voor de erfbewoners. 3 privaten midden achter en 2 douchecabines rechts achter, dus. Allemaal uit hout opgetrokken. En met zinkplatendak. Ons gezin had een eigen ‘badkamer’ vlak naast onze woning. Tegen de schutting aan. Maar we maakten wel gebruik van de algemene privaten achterop. Het gebeurde weleens, dat wij kinderen ’s nachts dringend naar de wc moesten. Vader liep met ons mee en stond met een flashlight voor de deur op wacht. En ondertussen alle bewegingen in het donker volgend. Náná had hem verteld dat als hij in het licht van de zaklamp of in het donker een buitengewoon grote awarie (buideldier, opossum) zou zien voorbijgaan, hij niet bang moest zijn. “Hij houdt hier de wacht in de buurt en gaat je niets doen”. Daar weer die man met zijn bijzondere kennis van die even bijzondere natuur. Aan de Sohawanweg waar náná als jonge man een gezin had gesticht, hadden zich toen ook soortgelijke dingen voorgedaan. Náná vertelde zijn kinderen dat er in de zwampen (moerassen) achter de woningen, ergens bij de rijstvelden, een zeer grote aboma (boa constrictor, een wurgslang) ‘woonde’. Niemand mocht hem storen of kwaad doen, want “Hij was de bewaker van het hele gebied”. Buurtbewoners wisten dat en enkele van hen gaven de slang met oud en nieuw ‘iets om te eten en te drinken’. Slechts één keer in het jaar was dat nodig als tegenprestatie. Alle zwampen van toen zijn later gedempt en bebouwd. En de zandwegen geasfalteerd.
Fanowdu sani
Sommige creoolse oud-bewoners kwamen op bepaalde momenten náná vragen om toestemming. Er moesten bepaalde rituelen worden uitgevoerd op het erf waar ze ooit gewoond hadden. Die toestemming kregen ze. Zelfs voor een grote wintiprey. Ik zelf kan mij dit niet voor de geest halen. De info is dus van mijn moeder. En het mooiste van alles: Geen van de erfbewoners die er vreemd van opkeek. Dit zijn dus die mooie dingen van de multiculturele samenleving. Of: plurale samenlevingen, zoals sociale en cultuurwetenschappers zulke samenlevingen soms noemen. Het in Nederland gevoerde debat over de mislukte multiculturele samenleving zou in Suriname nooit hebben kunnen plaatsvinden.
Heelkunst
Náná was ook goed in eenvoudige Hindoestaanse heelkunst. Hieronder viel ook gebedsgenezing. Hij was geen ojhá (spirituele genezer) en beschouwde deze specialisten als zijn meerdere. Voor de duidelijkheid: hij was gelovig en religieus maar niet godsdienstig, zoals eerder gezegd. In huis was er geen altaar. Hij deed geen dagelijkse pujá (offerdienst). Nergens hing er een plaatje van een hindoegodheid of -godin in huis. Heel anders dan mijn ájá (vader van mijn vader) die zijn hele woonkamer had behangen met schilderijen of opgeplakte plaatjes met de dewtá’s en dewi’s van de gehele hindoegodenwereld (pantheon). Náná werkte met mantra’s en maakte veel gebruik van de hoofdnerven van kokospalmbladeren. Deze werden ook wel gebruikt in een bundel van wel een honderdtal om het erf mee schoon te maken (printasibi). Over zijn heelkunst
slechts één verhaal. Eens kwam een man met zijn vrouw langs. Ze stonden in de eerdergenoemde gang naast de hoge-neutenwoning hun verhaal te doen, terwijl náni op de trap hun verhaal aanhoorde. De vrouw kon niet door haar huisarts worden ‘geholpen’. De man in kwestie was door iemand verwezen naar Langa, ‘de lange’, mijn náná. Het probleem was het volgende: de borsten van de vrouw waren opgezwollen en ‘stonden op springen’. Haar pijn was ondraaglijk. Maar náná wist er inderdaad wel raad mee. Hij had eerder met het bijltje gehakt. Náni had daarop beide mensen gevraagd om ‘door te komen’ (binnen te komen). Ze wist wat er zou gebeuren en ging terug naar boven om een schone orhni (hoofddoek/sluier) te pakken. Náná pakte daarop een zevental kokospalmhoofdnerven. Náni legde de schone orhni daarna over de borsten van de kermende vrouw. Náná streek onder het toeziende oog van de man en náni – en mijn moeder – met de dunne uiteinden van de nerven zachtjes over beide borsten, terwijl hij bepaalde mantra’s (spreuken) prevelde. Na de ‘behandeling’ stuurde náná beide mensen heen. De volgende dag waren man en vrouw er weer. Maar nu, anders dan de vorige dag, lachte de patiënte. Ze vertelde dat de zwelling in de nacht flink was afgenomen en had daarom wat lekkers meegenomen. De behandeling werd herhaald en enkele dagen later melden ze zich weer. De borsten hadden hun oorspronkelijke vorm weer aangenomen. Volgens de behandelend huisarts was ze door toeval genezen. Op mij maakten deze dingen grote indruk. Feit was wel, dat als de eigen gezinsleden een soortgelijke behandeling nodig hadden, náná die niet kon bieden. Daarvoor moesten ze naar een andere genezer toe. Dit was een van de beperkingen van deze oude wetenschap. Het werkt alleen bij anderen dan de eigen familieleden. En het legde ook beperkingen op aan het dieet van de behandelaar. Zo mocht de genezer nooit meer varkensvlees eten. Náná heeft de oudste twee kinderen na mijn moeder – mauwsá en mauwsi – enkele van deze mantra’s geleerd om anderen te kunnen helpen. Mijn moeder en haar jongste broertje toonden geen interesse hiervoor.
Moestuin
Náná maakte ook op een andere manier indruk op mij. Achter ons huis, dus helemaal achter op het erf, uiterst links, had náná een flinke moestuin. Wij noemden het gewoon ‘de tuin’. Tussen de tuin en de privaten midden achter stonden verschillende struiken en kleinere bomen. Ik ging dagelijks met náná mee de tuin in. En hij vertelde mij van alles over de verzorging van planten. Dat ik nog steeds heel erg blij word van planten en bloemen en heel veel plezier beleef aan mijn eigen tuin heb ik aan hem te danken. Eerlijk gezegd, ook aan mauwsi met wie ik een liefde voor orchideeën deelde. Zo erg zelfs dat we bij bezoek aan plaatsen buiten de stad regelmatig in struiken en lage bomen gingen zoekend naar orchideeën om mee te nemen naar huis. Het gebeurde regelmatig dat náná na een tijdje werken in de tuin zei: “Het gaat straks regenen”. Als ik omhoog keek, zag ik een heldere en schone hemel waar onmogelijk regen uit zou kunnen vallen. Maar precies dat gebeurde na ongeveer 5 tot 10 minuten. Hoe kon die goede man dat weten? Dat kan alleen iemand die ‘dicht bij’ de natuur staat. De taal van de natuur verstaat. De natuur kan aanvoelen of ‘lezen’. Maar deze veelgehoorde formulering (dicht bij) klopt niet. Het plaatst de mens immers buiten de natuur. En er zelfs tegenover. Een westers-christelijke gedachte die wij allen klakkeloos hebben overgenomen. Náná stond niet ‘dicht bij de natuur’ maar er middenin. Was er één mee. Hierdoor kon hij ‘dingen aanvoelen’ waar veel stadsmensen van vervreemd zijn geraakt. Zeker degenen met iets meer opleiding op zak. Aziatische en Afrikaanse tradities leren anders. Náná plukte wekelijks groenten uit de moestuin en fruit van het erf en verdeelde dat onder de erfbewoners. Javanen van elders kwamen van ver voor zijn paan-bladeren (betelnoot) die ze voor een paar centen meekregen. Waarschijnlijk voor het eerst verteld door erfbewoners aan relaties over de grote paan-plant die tegen een oude boom omhoogklom . Later heeft mond-tot-mondreclame voor veel aanloop gezorgd.
De gewone-mensenwereld
In tijden van schaarste leidde náná de mensen van het erf ’s ochtends vroeg naar ‘s Landsgrond om samen schaarse olie, suiker, blom (bloem), ed. te kopen. ‘s Landsgrond lag op loopafstand, eveneens aan de Wanicastraat. Aan de andere kant van de Pontewerfstraat, welteverstaan. Naast de Sint Jozef jongensschool waar mijn belangstelling voor taal en tekst werd gewekt door de directeur en docent, frater Solanus uit Tilburg. Eenmaal voorraad ingeslagen leidde hij de groep weer naar huis toe. Hij ging met ze mee om erop toe te zien dat geen van hen door dienstdoende ambtenaren van Lansigron met lege handen werd weggestuurd. Zo ver ging zijn liefde voor de bewoners van het erf. De betrokkenheid van onze familie bij de erfbewoners werd ook de laatste dag van het jaar op bijzondere wijze getoond. Náná had contacten met meerdere Chinese winkeliers die hem uitnodigden om met oud en nieuw langs te komen. Ze wisten dat hij een fiets had met aan weerskanten flinke tassen. Hij kreeg dan van de verschillende winkeliers vuurwerk mee. Thuis aangekomen riep hij ‘het erf’ (de erfbewoners) bij elkaar onder het huis op neuten. En verdeelde het vuurwerk onder hen. Inmiddels hadden náni en haar kinderen gezorgd voor versnaperingen en drinken (soft). De bombels en pagara’s – en siervuurwerk voor de jongeren – werden met z’n allen klokslag twaalf afgeschoten. Daarbij nieuwjaarswensen uitwisselend en verder genietend van eten en drinken. Een keer kwam náná niet op tijd terug. Een kennis kwam aangesneld náni vertellen dat hij was gezien in de goot bij de kruising Wanicastraat – Kwattaweg – Gravenstraat. Niet ver van huis, dus. Zijn twee zonen en mijn vader gingen hem met de Kever (auto) ophalen. Hij bleek teveel te hebben gedronken bij de verschillende winkeliers en was met de fiets van het fietspad geraakt. En in een meter diepe goot gevallen. Gelukkig lag er geen water en rotzooi in de goot. Hij moest náni toen beloven om voortaan alleen nog maar thuis een biertje te drinken.
Half-achtste
Toen mijn ouders een huis lieten bouwen aan het begin van de Mariestraat en náná in het weekend op de fiets naar zijn percelen op boiti ging – Sohawanweg, weet u nog? – stopte hij altijd bij ons voor een praatje en drankje. Eten nam hij – zoals gewoonlijk – van huis uit mee. Daarna vervolgde hij zijn fietstocht. Eens werd hij door bekenden vlak vóór de Sohawanweg in een winkeltje gespot. Hij was er gestopt voor een half achtste (sopie). Dat scheen hij regelmatig te doen als hij naar boiti ging. Voor zover ik weet, heeft hij sinds het ene voorval met oud en nieuw geen brokken meer gemaakt met de fiets.
Gedaanteverwisseling erf
Wanicastraat 111A heeft een grote verandering ondergaan sinds ons vertrek naar Nederland. In het midden van het erf is een nieuwe woning verrezen. Alle overige woongelegenheden plus toilet- en douchegelegenheden zijn afgebroken. Mijn neefje heeft na het heengaan van mauwsi, zijn moeder, de natuur zijn gang laten gaan. Waar eerst mensen woonden, hebben veel dieren en vogels een verblijf gevonden. Hieronder leguanen en parkieten. Met al die geluiden en het geritsel om zich heen voelt mijn neefje (60) zich een koning in de natuur. Met iedere ochtend een vaste groep vogels die op het balkon zitten te wachten totdat de balkondeur opengaat en de heer des huizes ze trakteert op zaad, fruit, brood en water.