Ájá ke yád men Ondernemer, landbouwer en sociale strijder (Herinneringen aan mijn grootvader)

Reacties zijn gesloten

Krishna Autar[1]

Inleiding

In deze bijdrage wordt teruggeblikt op het leven van mijn ájá (grootvader van vaderskant) in Bharat (India), Curaçao en Suriname. De informatie hiervoor is verzameld door herinneringen aan ájá, orale verhalen binnen de familie en enkele documenten en archiefstukken. Ook is een beroep gedaan op literatuur over Brits-Indische immigratie in Suriname.

Leven in Bharat (India/Brits-Indië)

Barakken in Mariënburg waarin de girmitiyá’s werden gehuisvest. Foto: Krishna Autar. 2024.

Ájá is in 1885 in de omgeving van Allahabad geboren en is later verhuisd naar een plaats in de nabijheid van Mirzapur. Zijn laatste verblijf in de staat Uttar Pradesh (UP) was het dorp Majhawa. Tot 1930 droeg ájá de naam Chowthi met de voornaam Dhummon. Vanaf dat jaar heeft hij zijn naam gewijzigd in Autar met de voornaam Chedi. Vermoedelijk heeft hij gekozen voor de achternaam Autar om zijn oudste broer te eren, die in Bharat al een lange tijd geleden voor zijn vertrek naar Suriname was overleden. Na het overlijden van zijn oudste broer was hij op voorstel van de familie getrouwd met de weduwe van zijn broer, zijn schoonzus, mijn áji (grootmoeder van vaderskant). De naam van mijn áji was Thakul met de voornaam Bhugmania. In Bharat had mijn áji al een zoon met de oudste broer van ájá. Zijn naam was Ramdas. Na het overlijden van zijn oudste broer (in UP) heeft ájá zijn neefje als eigen zoon bejegend en als oudste zoon beschouwd. Tot in de jaren 80 van de vorige eeuw ging de familie ervan uit dat Ramdas de oudste zoon was van ájá en dat ájá zijn biologische vader was. Toen Ramdas, die we ‘sahar ke dádá’ (oom van de stad) noemden, in de jaren 70 van de vorige eeuw naar India terugging, vond hij zijn mausi (moeders zus) op het sterfbed. Zij onthulde het familiegeheim, dat mijn ájá was getrouwd met zijn schoonzus en dat de vader van Ramdas de oudste broer van ájá was. Uit de film ‘Water’ van Deepa Mehta (2005) blijkt, dat een weduwe in Bharat drie opties had na het overlijden van haar echtgenoot. Samen met de echtgenoot op de brandstapel gaan liggen (sati) of naar het weduwenhuis gaan, waar je niet zelden het bed moest delen met de sponsoren van het vrouwentehuis, of trouwen met een jongere broer van de overleden man. Gelukkig koos mijn áji voor de laatste optie. In het gezin was ook een neefje van áji geadopteerd, hij was een zoon van een oudere zus van áji. In de familie werd verteld, dat áji een pahárin (bergbewoonster) was. Waarschijnlijk kwam ze oorspronkelijk van het grensgebied tussen India en Nepal. Het geadopteerde neefje heette Pirthipal (parnási ke dádá/oom van de plantage).

Een zus van ájá woonde ook bij hem in. Na het huwelijk is ze in de directe omgeving van ájá blijven wonen. Zij en ook haar man werkten voor ájáÁjá had in Bharat zijn eigen onderneming in de bouw. Hij was thikádári, iemand die op freelance basis werkzaamheden voor opdrachtgevers verrichtte. Hij bezat een os met een trekwagen (bailgári), die ze daar ikká bagghi noemden. Er werkten enkele arbeiders (m/v) voor hem die stenen in puin vergruisden om beton te maken. Ájá zorgde voor het transport van het puin en andere bouwmaterialen naar de bouwlocatie. Hij verdiende een redelijke boterham om zijn gezin te onderhouden. In de archiefstukken staat dat ájá van het dorp Gokalkisarai afkomstig is, dat in het district Ghazipur ligt. Via Googlemaps is het nog niet gelukt dit dorp te traceren. Uit een interview met zijn zoon Ramdas in 1984 blijkt echter, dat ze in het dorp Majhawa hebben gewoond in de omgeving van Mirzapur. Vermoedelijk heeft ájá bij de registratie een andere verblijfplaats opgegeven. In gesprekken binnen de familie werd geopperd, dat ájá oorspronkelijk van Allahabad kwam.

Aanleiding vertrek

Hoewel de onderneming van ájá naar behoren draaide, heeft hij uiteindelijk gekozen voor contractarbeid (girmitiyá) in een vreemd land. Wat was de aanleiding daartoe? Zijn bahnoi (mannelijke partner van zijn zus) met de roepnaam Pohi had hem er al enkele keren op geattendeerd, dat arkhatiyá’s (wervers/recruiters) mensen zoeken voor werk buiten India. Ook enkele buurtgenoten hadden als girmityá’s in landen voorbij het Zwarte Water (Kálá Páni) gewerkt, die na hun contractperiode waren teruggekeerd. Zo vertelden ze, dat ze als girmityá acht áná’s per dag meer verdienden dan in Bharat. De gemiddelde arbeider verdiende toen in die omgeving maar vier áná’s. Geen enkele keer had ájá aandacht geschonken aan deze informatie, want zijn zakelijk leven verliep naar tevredenheid. Hij wilde de schoot van zijn warme gemeenschap niet verlaten. Maar er was een sipáhi (dorpsagent) in zijn woonomgeving die ondernemers afperste en geld vroeg voor zijn zogenaamde bescherming. Ájá had echter geen behoefte aan bescherming van deze corrupte sipáhi. Hij kon zichzelf en zijn gezin goed beschermen omdat hij getraind was in de vechtkunst gatká, een vechttechniek met een láthi  (stok). Hij bezat twee soorten láthi’s, een korte met een koperen ring aan het eind van de stok en een lange. Beide láthi’s  waren van hardhout, geolied en goed gepolijst.

Enkele keren heeft de sipáhi ájá met een dreigende toon eraan herinnerd dat hij van hem een fee (vergoeding) verwacht voor zijn bescherming. Ájá bleef consistent in zijn reactie, hij weigerde de dorpsagent ghus (steekpenning) te geven. De laatste keer dat ájá de sipáhi onderweg naar huis tegenkwam, bedreigde de dorpsagent hem als ájá bleef weigeren met het betalen van steekpenningen. Ájá was toen in de kracht van zijn leven, 28 jaar, fysiek en mentaal sterk. Aanvankelijk negeerde hij zijn verbale bedreigingen, maar toen de sipáhi zijn wapenstok tevoorschijn haalde, kon ájá met zijn korte láthi de poging van de kwelgeest pareren. Daarbij kwam de slag van de láthi op het hoofd van de dorsagent terecht, waardoor hij neerviel. Ájá pakte de benen zonder te controleren of de sipáhi nog in leven was. Achteraf bleek dat de agent de verdediging van ájá niet had overleefd. Thuis aangekomen vertelde ájá aan zijn echtgenote wat er onderweg gebeurd was. Om een strafzaak en eventuele gevangenis te ontlopen, ging hij in op de suggestie van zijn bahnói om contact te zoeken met de arkhatiyá. Die was blij met vier jonge volwassenen en vier kinderen die in een ander land wilden gaan werken. Het gezelschap bestond uit ájá, áji, zus en schoonbroer van ájá, twee dochters en twee zonen. In het holst van de nacht verliet ájá met zijn gezin de hechte gemeenschap, waarin ze vertrouwd waren met hun eigen taal, gewoontes en gebruiken. Diezelfde avond hebben ze zich ingeschreven bij politiepost Saidabad voor werk in het buitenland. Over het voorval met de dorpsagent hebben ze in alle talen gezwegen. Als reden gaven ze aan dat ze met het werk in hun dorp niet rond konden komen. Ájá zei: ‘vier áná’s per dag zijn niet genoeg om mijn gezin te onderhouden’. Na deze aanmelding hebben ze eerst met de trein gereisd, een stukje gevaren over de Hoogly-rivier en vervolgens zijn ze in het depot van Kolkata terechtgekomen. De bahnói van ájá had kennisgenomen van ervaringen van contractarbeiders die in het buitenland hadden gewerkt. Uit die informatie had hij begrepen dat kinderen tussen 10-15 jaar die uit Brits-Indië kwamen contractueel verplicht waren als halve kracht te werken op de plantages (De Klerk, 1998). Toen die informatie ájá ter ore kwam, heeft hij bij de politieregistratie en in het depot van (Kolkata) de leeftijden van beide jongens dusdanig verlaagd, zodat ze niet hoefden te werken als ze in een ander land aankwamen. Na medische keuring en enkele maanden wachten op meer girmitiyá’s in het depot, zijn ze in 1913 ingescheept op het stoomschip Chenab 2 naar Suriname. Dit onbekende land werd florissant voorgespiegeld, in de volksmond was het in Uttar Pradesh bekend als Sri Ram, wat vertrouwelijk klonk. Ram is namelijk een belangrijke heroïeke figuur in het epos Ramayana.

Transport naar Suriname

Ájá gekleed in dhoti en kurtá, zonder een pagri, op het erf voor de winkel op Leiding 5 (1953). Foto: Gustaav (achternaam onbekend).

Samen met 291 andere passagiers werden ze met hun achten ingescheept. Naast de [2]bemanningsleden waren er dus 299 passagiers die hun geluk in een ander land wilden beproeven, in de hoop veel geld te verdienen en daarna terug te keren naar muluk, het eigen geboorteland (De Klerk, 1998). Op het schip konden ze als het weer het toeliet overdag op het bovendek verblijven, of anders in de grote slaapzalen van het benedendek de dag en nacht doorbrengen. Ze kregen alleen één keer per week een maaltijd met vlees, de andere dagen dál, bhát en álu ke tarkári (aardappelgerecht), met ingelegde lemoen of citroen. In de middag werd ook soep geserveerd met schapenvlees, maar ze wisten niet van welk vlees de bouillon was getrokken. Alle kasten en gelovigen aten en vermaakten zich samen op het schip, wat ook het geval was in het depot. Bij het inschepen wisten ze bitter weinig over het land waar ze naartoe werden vervoerd. Het stoomschip Chenab 2 verliet de haven van Kolkata op 31 mei 1913 en meerde in Paramaribo aan op 7 juli 1913. Het schip werd vanaf Braamspunt begeleid door een Surinaamse loods naar Kophiwági (Waaggebouw oftewel De Plattebrug). Volgens archiefstukken bleven ze 38 dagen op het schip. Uit het interview met de oudste zoon van ájá blijkt echter dat ze 42 dagen op het schip waren, eer zij voet aan wal zetten. Waarschijnlijk zijn de migranten vier dagen op het schip gebleven voor medisch onderzoek of voor administratieve handelingen.

Plantages

Na aankomst in Paramaribo hebben de migranten enkele dagen in een depot gewacht op toedeling aan een plantage. Ájá en zijn gezin kregen te horen dat ze naar de plantages Mariënburg en Zoelen gingen. Van het depot staken ze de Surinamerivier met een pont over naar plantage Belwaarde (Commewijne), waar ze op de trein stapten om naar de toegewezen plantgages te gaan. Volgens archiefstukken duurde hun contract vijf jaren, van 7-7-1913 tot 7-7-1918. Ze werden gehuisvest in de barakken van de vrijverklaarde slaven die na het staatstoezicht de plantages hadden verlaten. Gelet op de jonge leeftijden van ájá en áji kozen zij voor taakwerk op het rietsuikerveld. Het karwei bestond uit het wieden en oogsten van suikerriet. Als ájá eerder dan áji klaar was met zijn taak, ging hij áji helpen met haar dagtaak. Het dagloon van een man bedroeg 60 cent, omgerekend 12 áná’s en van een vrouw 40 cent. Ze begonnen heel vroeg op het veld om te horen van de sardár (opzichter) wat de dagtaak was. Gemiddeld genomen waren ze rond 16.30 uur klaar met hun dagtaak, zodat ze wat tijd overhielden voor huishoudelijke werkzaamheden en een moestuin, waar ze groentes en kruiden teelden voor eigen consumptie. Overdag konden de kinderen samen spelen en onder begeleiding van de geadopteerde zoon naar een openbare lagere school in de buurt gaan. Twee keer per week kregen de kinderen na schooltijd Hindi- of Urdules, aangeboden door dezelfde lagere school.

Na contractperiode

Begin juli 1918 kozen zij niet voor terugkeer naar Bharat maar voor een permanent verblijf in Suriname. Ze hadden de mogelijkheid om met de laatste boot naar Bharat terug te keren. Als beloning ontvingen zij 100 Surinaamse gulden, waarmee ze een nieuw leven begonnen in Parapasi, wat toen bekend was als Beneden Para. Ájá kreeg een stukje grond op Livorno, wat niet groot genoeg was om zijn gezin te onderhouden. De grond was bovendien niet vruchtbaar. Wat later heeft hij op Plantage Beekhuizen een stukje bos gekocht, en na ontginning bleek deze grond meer een zwamp te zijn, niet goed genoeg voor de rijstbouw. Omdat de kleine landbouw niet voldoende opleverde, begon hij met een onderneming in houtskool, die hij in de middaguren in andere boiti’s (buurten) opkocht en de volgende ochtend vroeg naar de Centrale Markt van Paramaribo vervoerde met een wagen die werd getrokken door een paard, dat de naam van Chaliyá droeg. De weg naar de Centrale Markt was toen niet verhard, maar bedekt met zand en schelpen. In die periode was Beekhuizen makkelijk bereikbaar via Saron, er was nog geen Saramaccadoorsteek, men kon alleen via Poelepantjebrug (Abrabroki) oversteken om naar de markt te rijden. Tegelijkertijd stond hij open voor suggesties voor andere verdiensten. In de stad hoorde hij van andere handelaren dat een Hindostaanse recruiter twee gezinnen zocht voor agrarische activiteiten op Curaçao. De recruiter zocht gezinnen die bereid waren als kleine landbouwers daar te werken. Volgens ájá was het ook de bedoeling om de lokale bevolking te leren eigen groentes te telen. Intussen waren in Suriname nog twee zonen en een dochter geboren. Hoewel hij dit eiland niet kende, koos hij voor vijf jaar verblijf om in dit vreemd land te gaan werken in de agrarische sector. Met een stoomboot vertrok hij wederom met een deel van zijn gezin naar Curaçao. Het gezin van zijn oudste zoon Ramdas en zijn jongste zoon, Gangapersad, reisden mee naar het  Caribische eiland. Een dochter en een zoon bleven achter bij de zus van ájá. De twee oudste dochters waren intussen uitgehuwelijkt. Ze kwamen met hun zevenen terecht op een plek waar de grond heel droog was en heuvelachtig. Bij een harde regenbui spoelden de gewassen mee met het water. Gewassen die ze daar teelden waren niet in trek bij de lokale bevolking. Curaçaoënaars kenden toen nog geen Surinaamse groentes, zoals kousenband, amsoi, karailá, táyáwiri, lauki, nenwá, taroi etc. De oudste zoon is met zijn gezin na zes maanden teruggekeerd naar Paramaribo, omdat ze daar niet voldoende verdienden. Toen ze waren teruggekeerd in Suriname, kocht ájá met wat spaargeld een perceel aan de hoofdweg van Pad van Wanica (nu Indira Gandhiweg), waar nu de boterfabriek Gelebek gevestigd is, tussen Menkendam en Randjansingweg. Vanaf deze woning zijn de overige van zijn kinderen uitgehuwelijkt. De geadopteerde zoon, Pirthipal, was wel achtergebleven op parnási (een plantage in Commewijne), omdat hij verliefd was geworden op een lokaal Javaans meisje. Met haar had hij een gezin gesticht, leerde de lokale Javaanse taal, hun gebruiken en gewoontes, en leefde van visserij en landbouw. De meeste van zijn nakomelingen wonen nu in Paramaribo. Na het avontuur op Curaçao pakte ájá zijn oude ondernemerschap weer op, handelen in houtskool. Hij leverde houtskool aan Firma Kersten en kooplui (kopmans) op de Centrale Markt. Na de levering van zijn handelswaar deed hij boodschappen voor zijn eigen gezin en twee andere gezinnen op het eigen erf of die dichtbij woonden. De jongste zoon woonde met zijn gezin in bij ájá en áji. Een andere zoon woonde in een apart huis op het erf en de jongste dochter enkele huizen verder dan ájá, in de Randjansingweg. Ájá was zorgzaam en vrijgevig. Ondanks het onderhouden van drie huishoudens was hij spaarzaam. In de familie doen er verhalen de ronde dat ájá beschikte over drie biscuitblikken vol met (gouden en zilveren) munten, die hij onder zijn kathiyá (bed) bewaarde. Naarmate de jaren verstreken, verwierf hij een zeker sociaal aanzien in zijn familie, evenals bij de leveranciers van houtskolen en buurtgenoten. In zijn buurt woonden enkele bekende Surinamers, zoals Wim Bos Verschuur, die zijn jongste zoon begeleidde bij de studie en de panjábi Sohansing, die hij kende van parnási. De panjábi probeerde hem over te halen om samen met hem een busbedrijf te beginnen. Ájá ging niet in op dit voorstel omdat hij van nature wantrouwend was. Op een of andere manier kwamen anderen erachter dat hij niet onbemiddeld was. Over het vermogen zou hij belasting moeten betalen. Het laatste weigerde hij. Als gevolg hiervan moest ájá voor de rechter verschijnen. Ook daar heeft hij ontkend dat hij vermogend was en niet toegegeven dat hij belasting moest betalen. De Hindostaanse tolk, die in zijn ogen een hielenlikker was, schold hij uit voor bábhan en collaborateur. Dat kwam over als belediging van de rechtbank. Hij moest enkele maanden de gevangenis in. Schaamte en vrees overmeesterden áji en de kinderen. Zij was bang dat het spaargeld door de overheid (sarkár) in beslag zou worden genomen nu ájá in de gevangenis zat. Deze kwestie besprak ze alleen met de zoon, die later ‘khete ke dádá’ (plattelands oom) werd genoemd. Deze woonde op het erf met zijn gezin om het geld ergens anders onder te brengen voor bewaring. Zijn jongste zoon zat toen op de middelbare school in Paramaribo en was bij deze besluitvorming niet betrokken. Ze waren immers op de hoogte van de malversaties van notaris Miranda en zijn Hindostaanse medewerker die veel on- en laaggeletterde contractarbeiders had bedrogen en bestolen. Deze optie viel gauw weg, ze besloten uiteindelijk de blikken met munten bij Firma Kersten in bewaring te geven. De zoon met wie áji dit besloot, bracht de waardevolle spullen naar Firma Kersten in Paramaribo. Ájá had goede handelscontacten met deze firma van de Evangelische Broedergemeente. Deze zoon was laaggeschoold en bezat geen ervaring en kennis over het deponeren van waardevolle spullen bij derden. Vol vertrouwen keerde hij terug naar huis zonder een bewijs van ontvangst. Ook ájá was ondertussen op de hoogte van de plek waar zijn waardevolle spullen in bewaring waren afgegeven. Toen hij na enkele maanden de gevangenis mocht verlaten, wendde hij zich tot Firma Kersten om zijn waardevolle spullen op te halen. Kersten gaf echter te kennen dat ze niets wisten over in bewaring nemen van waardevolle goederen van de familie van ájá. Ájá had geen bewijsstukken om te overleggen. Bestolen en bedrogen door Firma Kersten keerde hij terug naar huis. Hij werd geplaatst voor een duivels dilemma: aangifte doen bij de politie betekent, toegeven dat hij vermogend was met als gevolg belasting betalen èn veroordeeld worden voor meineed of accepteren dat hij bestolen was door een kerkelijke firma. Dit voorval zorgde voor veel schaamte en verdriet in het gezin en in de familie. Al zijn spaargeld was verdampt.

Na de dood van áji, die aan astma leed, besloot hij het perceel aan de Pad van Wanica te verkopen aan boterfabriek Gelebek en te verhuizen naar Kandál, Leiding 5. Daar begon hij met zijn jongste zoon een kruidenierswinkel. Aan de winkel was ook een kleermakerij verbonden waar ook veel leerlingen in de leer kwamen. Ájá runde de winkel en de jongste zoon de kleermakerij. Oorspronkelijk was de winkel gevestigd naast de rooms-katholieke basisschool St. Benedictus. Een winstgevende locatie. De klandizie bestond onder anderen uit kinderen van de school die in de pauzes voor een belegd broodje kwamen en sommigen ook voor een lokale frisdrank. De winkel was tevens bekend bij de buurtbewoners. Het assortiment van de winkel was uitgebreid. Allerlei levensmiddelen, verse groentes, fruit en niet-gedistilleerde dranken werden verkocht. De winkel en de kleermakerij draaiden goed. Totdat de erfgenamen van de oorspronkelijke verhuurder, die ájá van parnási goed kende, van het pand waarin de zaak was gevestigd de huur wilden opzeggen. Een rechtszaak kon niet baten om daar te blijven. De zaak verhuisde uiteindelijk naar de eerste bocht van Leiding 5, voorbij Leiding 7B. Zijn schoondochter was geen voorstander van die locatie vanwege twee redenen. Haar kinderen zouden nu naar school een flink stuk moeten lopen en ze was bang dat haar kinderen het grove taalgebruik van de kinderen van de directe buren zouden overnemen. Maar er was geen andere optie voor de winkel. Nu moest ájá elke dag met belegde broodjes in een grote baskiet (rotan mand) op zijn hoofd naar de school lopen. Ook frisdranken droeg hij in een hand.  

Bronnen

  • Autar, Krishna. (2020). Ego kantráki aur okar potá ke chotá itihás. In: R.S. Baldewsing, Apan-apan dhaplá apan-apan awáj, Surinen, Den Haag.
  • Choenni, Chan. (2004). Crematie bij hindoes. In: Magazine Hindorama, jaargang 5, nummer 6.
  • Fukuyama, Francis, (2011). De oorsprong van onze politiek (deel 1). Contact, Amsterdam.
  • Ghosh, Amitav. (2009). Zee van papaver. De Bezige Bij, Amsterdam.
  • De Klerk, C.J.M. (1998). De immigratie der Hindostanen in Suriname. Amrit, Den Haag.
  • Mehta, Deepa. (2005). Film Water. https://en.wikipedia.org/wiki/Water.
  • Nationaal Archief Suriname.
  • Teunissen, Anneke. (2000). Film over weduwen doelwit van hindoefundamentalisten. In: de Volkskrant, 8 april.

[1] Henk Moeniralam ben ik erkentelijk voor het commentaar op het eerste concept van deze bijdrage.

[2] Om verder een goed beeld te vormen hoe het op het schip eraan toeging bij transport van girmitiyá’s naar de koloniën is het aan te bevelen om de roman ‘Zee van Papaver’ van Amitav Ghosh (2009) te lezen. In deze vuistdikke roman beschrijft de auteur nogal gedetailleerd de werving, inscheping, route en het verblijf op het schip naar Mauritius.