Bris Mahabier
1.Juni 2026: vijfde Jit Narain Lezing in Den Haag
De vijfde Jit Narain Lezing vond in het Haagse Theater De Vaillant op vrijdag 12 juni 2026 plaats. De digitale versie van deze twee referaten (37 blz. lang) zijn kosteloos beschikbaar, via Mahender.autar@gmail.com. In deze dubbele lezing (hoofdreferaat en co-referaat) stonden o.a. de volgende facetten van het Haagse Kollektief Jumpa Rajguru centraal: wat voorafging in Paramaribo in de tweede helft van jaren zestig en vervolgens in Leiden, de oprichting in de residentiestad, de drie inhoudelijke pijlers en i.h.b. de maatschappelijke betekenis. In 1985 kwam er een einde aan ons Kollektief waaruit de huidige informele Sarnámibeweging is voortgekomen. Emeritus-hoogleraar dr. Ruben S. Gowricharn was de hoofdspreker. Hij analyseerde de sociaalhistorische context waarin het Kollektief Jumpa Rajguru werd opgericht en memoreerde enkele frappante acties, beschreef ‘rimpels’ die door de activisten van deze kleine groep in de Hindoestaanse cultuur in Nederland en Suriname zijn veroorzaakt. Gowricharn gebruikte de opvallende beeldspraak van enkele ‘zendmasten’ die nationaal en zelfs over landsgrenzen heen zichtbaar
zijn. Als co-referent trad Naushad A. Boedhoe op. Hij was medeoprichter, secretaris en coördinator van het Kollektief Jumpa Rajguru (1977–1985), dat hij kenschetste als een ‘broedplaats’ van kritische reflectie en vorming; ‘een plek waar mensen leerden denken, spreken, twijfelen en handelen.’ In zijn co-referaat besteedde hij ook aandacht aan zijn beste vriend Jit Narain (D. Baldewsingh, 1948-2023, huisarts, Sarnámi dichter, activist en landbouwer) die hij ongeveer in het midden van de zestiger jaren op de Shri Vishnumuloschool leerde kennen. Volgens Naushad is de erfenis van het Kollektief Jumpa Rajguru nog ‘in beweging’. Deze constatering van hem is voor mij hoopvol, maar er is zeker werk aan de winkel voor eenieder die de culturele doelen van de Sarnámibeweging een warm hart toedraagt. Na herlezing van beide referaten besloot ik om voor de laatste keer op ons Kollektief en enkele andere feiten terug te blikken. Sommige ouderen doen dit graag; ook ik. Een vluchtige reis door het verleden van ons Kollektief is eigenlijk grotendeels ook een reis door mijn eigen verleden. Het betreft hier om een aantal losse feiten, soms niet sterk aan elkaar gesmeed en in dit artikel gepresenteerd.
- Vernieuwing en boycot van Sinterklaas stuit op rancune
In de jaren zestig van de vorige eeuw kwamen er in vele ontwikkelingslanden (toen nog de derde wereld genoemd) verschillende nieuwe sociaal-culturele en politieke bewegingen op. Ik denk hierbij aan o.a. de négritude in Parijs en elders, het antikolonialisme, de burgerrechtenbeweging en Black Power in de V.S., de Dolle Mina’s en de provo’s in Amsterdam, de bevrijdingstheologie in Latijns-Amerika, het Afrikaans socialisme van Julius Neyerere en de naxalieten- en chipko-beweging in India. Vernieuwende maatschappelijke opvattingen uit Nederland bereikten o.a. via literatuur, krant, radio en enkele progressieve Hollandse docenten ook middelbare scholieren in Paramaribo, echter mondjesmaat. De doorsnee middelbare scholier leek niet of nauwelijks ontvankelijk voor nieuwe ideeën, bijv. van links politieke en seksueel-educatieve aard. Al gauw rees er – meestal indirect – verzet uit de Surinaamse samenleving. De gevestigde orde met de traditiehandhavers in de voorste gelederen, boden weerstand tegen de opkomende nieuwlichterij. Kritiek, bijv. in Koela, het studentenblad van de avondkweekschool, op een invloedrijke sympathieke Surinaamse docent werd kennelijk als persoonlijk ervaren. Vermoedelijk als represaille werd het arbeidscontract van deze Nederlandse docent, een Neerlandicus verbonden aan de dag- en avondkweekschool die het blad uitgaf, vervroegd ontbonden. Een aantal van zijn studenten betreurden zijn plotselinge vertrek. Een andere Nederlandse docent die een gestencilde brochure over liberale seksuele opvattingen onder een aantal van zijn middelbare scholieren had verspreid, moest tot een opvallende éénmansactie voor het ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling overgaan om zo te trachten zijn baan te behouden. Robin Ravales, die aan de Surinaamse Rechtsschool studeerde, werd door de machtige premier Johan A. Pengel van de opleiding verwijderd: kennelijk verdacht van communistische sympathieën en belediging van de Nederlandse koningin.
In 197O heb ik als leraar de massale viering van het koloniale en discriminerende Sinterklaasfeest op de hindoe Shri Vishnumuloschool (in Paramaribo) samen met een handjevol moedige collega’s geboycot. In plaats van op een snikhete tropische middag o.a. Zie de maan schijnt door de bomen samen met onze leerlingen te zingen, gaven wij les volgens het reguliere rooster. Ons voorstel was, dat de gebruikelijke viering vooraf zou gaan door een kritische bespreking van het Sinterklaasfeest in alle klassen. Desgewenst zou ik de nodige informatie aandragen. De schoolleiding voelde niets voor bekritisering van een populair volksfeest en kwalificeerde onze actie als gezagsondermijnend, waarvoor ik – als initiatiefnemer verantwoordelijk werd gesteld. Deze actie heeft mij bijna mijn leraarsbaan op deze school gekost. De wiskundedocent Soerdj Badrising, voorzitter van het schoolbestuur van Sanatan Dharm, was mijn reddende engel!
- Politieke scholing
Enkele jonge Nederlandse en Surinaamse academici organiseerden kleine bijeenkomsten voor politieke scholing. Er werd progressieve literatuur verspreid. Van de economiedocent Jan Bongers en de socioloog Nico Waagmeester, een promovendus die hindoeïsmeonderzoek deed, leerde ik veel. Ook mijn ‘lidmaatschap’ van de Actiegroep, een politieke partij, en de jongerenvereniging Nauyuga betekende veel voor mijn vorming. In juli 1969 richtte ik samen met o.a. D. Baldewsingh en Naushad Boedhoe een socialistisch comité op om het socialisme op een bescheiden schaal te propageren. Mijn eerste doel was om te beginnen met verspreiding van linkse geschriften, ook in het Hindi. Via bemiddeling van een mevrouw in Amsterdam kreeg ik contact met de Russische en de Chinese ambassade in Den Haag. Na drie maanden ontving ik enkele dozen met boeken, tijdschriften, ook in het Hindi. In het najaar van 1970 ging ik met Waagmeester naar Guyana om o.a. aanhangers van de partij van dr. Cheddi Jagan, een linkse politicus en oud-premier, te ontmoeten.
- Een moeilijk begin
Onze eerste organisatorische stappen in Leiden waren moeilijk en stroef. Het formeren van een studentengroep – met meer dan alleen recreatieve en sociale intenties – liep echter niet van een leien dakje. Al in de verkenningsfase moesten de initiatiefnemers, een viertal vrienden: Djiet Baldewsingh, Naushad Boedhoe, Moti Marhé en Bris Mahabier, tot hun teleurstelling vaststellen, dat vooral de sociale diversiteit (af- en herkomst), culturele ambitie (keuze tussen het Sarnámi en het Hindi, tussen Devanágri en het Latijnse schrift en gelovigheid en ongeloof) en politieke oriëntatie (keuze tussen sociaaldemocratie en socialisme, wel of geen sympathie voor de VHP in Suriname) onder de Hindoestaanse studenten complicerende factoren waren. Ondanks de etnische homogeniteit, bleken her- en afkomst indirect een ongunstige rol te spelen. Dit had ook met wederzijds vertrouwen te maken. Djiet, altijd bijgestaan door Naushad, bleef volhardend. Hij wilde van geen wijken weten. Wij hebben eerst in Leiden in 1974 met veel inspanning gepoogd om een ‘brede’ progressieve organisatie van Hindoestaans Surinaamse studenten op te richten. Deze zou zich coöperatief dienen op te stellen t.a.v. de bestaande linkse creools-Surinaamse organisaties, een actieve bijdrage leveren aan de emancipatie van de eigen Hindoestaanse volkscultuur en bij de verwezenlijking van een rechtvaardige samenleving in ons geboorteland. In Leiden was er in het midden van de jaren zeventig een latente tegenstelling tussen enkele studenten die in eigen kring soms prat gingen op hun door geboorte verkregen brahmaanse afkomst en status en niet-brahmaanse studenten. Ook dit vormde een obstakel, dat op een ongrijpbare manier van invloed was op het bereiken van compromissen bij de oprichting van Nieuw Suriname, een studentenorganisatie. We staakten onze poging in Leiden om tot een formele organisatie met breed draagvlak te komen. Het breekpunt was, of er achter de gekozen naam Nieuw Suriname de letters ML (marxistisch-leninistisch) toegevoegd moesten worden. De overgrote meerderheid weest dit voorstel af.
- Vader een Arabier! Moeder een geroofde hindoevrouw?
Vooral dankzij de inspanning Djiet Baldewsingh kwamen we met 12 vrienden en kennissen, in zijn studentenkamer aan de Oude Vest in Leiden op 13 juni 1973 bij elkaar. Ons doel was om voor het eerst te discussiëren over de positie van onze moedertaal in veeltalig Suriname. Moti Marhé, een middelbareschoolleraar die Nederlandse taal en letterkunde aan de universiteit van Leiden studeerde, hield een interessante inleiding over dit onderwerp. Moti sprak over de dominante positie van het Hindi, het Nederlands en het Sranantongo t.o.v. het ‘Sarnami Hindustani’. We kwamen tot de conclusie, dat het Hindi niet de moedertaal van de Hindoestaanse Surinamers was. Onze moedertaal was het ‘Sarnámi Hindustáni’, dat verwant is aan enkele Noord-Indiase talen (zie C.J.M. de Klerk 1953), o.a. aan het Hindi, een standaardtaal. Dankzij de punctualiteit van Naushad Boedhoe zijn de notulen van deze discussiebijeenkomst bewaard gebleven. Rabin Baldewsingh heeft 13 juni tot Sarnámidag uitgeroepen. De benaming ‘Sarnami Hindustani’ is door dr. J.H. Adhin in 1961 bij zijn promotie in Utrecht in zijn 15e stelling gebruikt. In 1964 vertaalde hij deze naam met ‘Surinaams-Hindostaans’. Dr. Adhin heeft in 1964 in de ondertitel van zijn boekje voor de schrijfwijze Hindostaans i.p.v. Hindoestaans gekozen: zie zijn Geromaniseerde spelling van het Sarnami Hindustani (Surinaams-Hindostaans). Hij was niet de eerste die deze schrijfwijze gebruikte. De term Hindostaans was in Suriname al eerder in gebruik. Enkele moslim-intellectuelen maakten al vroeg bezwaar tegen de schrijfwijze Hindoestaans. Zij prefereerden reeds in 1933 de schrijfwijze Hindostaans. Deze notatie riep volgens een Hindoestaanse moslim parlementariër van de VHP minder associaties op met hindoes en het hindoeïsme. Ook adviseerde hij ons om de term mohammedaan niet te gebruiken. Moslim zou een betere benaming zijn. Dit hield hij het Nauyuga-gehoor in de aula van de Shri Vishnuschool in 1969 voor. Vol trots vertelde hij op die middag, dat hij een verre nakomeling van een Arabier was, die zich ooit in India had gevestigd. Hierop reageerde ik prompt met de vraag, of zijn Indiase stammoeder misschien niet een bekeerde of zelfs een geroofde hindoevrouw is geweest.
- Hindi is niet de moedertaal van Hindoestaanse Surinamers
Moti R. Marhé komt de eer toe, dat hij als eerste ons duidelijk heeft gemaakt, dat onze moedertaal geen Hindi is, maar het Sarnámi, dat wel verwant is aan het Hindi en andere talen van de Hinditalenfamilie. In 1977 besloot het Kollektief definitief om taalpolitieke redenen onze moedertaal kortweg het Sarnámi te noemen. Deze naam is intussen in brede kringen van de Surinaamse gemeenschap hier en ook overzee aanvaard. Het Sarnámi heeft een grammatica, tot 1985 niet vastgelegd, die in vele opzichten verschilt van die van het Hindi. Zo kent het Sarnámi bijv. geen lidwoorden en ook geen geslacht. In het Sarnámi vocabulaire komen er veel leenwoorden uit het Nederlands, Sranantongo en Engels voor. Moti R. Marhé heeft als eerste de grammatica van het Sarnámi beschreven, terwijl de indoloog dr. Theo Damsteegt en dr. J.H. Adhin evenzo belangrijke bijdragen hebben geleverd. Ook werd in 1977 besloten om te werken aan de maatschappelijke emancipatie van het Sarnámi door gebruik van politieke invloed. De eerste Sarnámi dichtbundel verscheen in 1977 van de hand van Jit Narain, pseudoniem van de toenmalige huisarts D. Baldewsingh. Hierna zouden er ongeveer 20 dichtbundels in onze moedertaal het daglicht zien, ook enkele romans, een woordenboek, een aantal sociolinguïstische artikelen, 2 leerboeken voor het Sarnámi, verhalenbundels en ander lesmateriaal.
- Kollektief Jumpa Rajguru: de oprichting en de drie pijlers
In onze vriendenkring – van eenvoudige agrarische komaf – had Naushad de meeste ervaring met o.a. organiseren, verenigingsstatuten, discussies leiden en notuleren. In 1977 werd in Den Haag o.l.v. Naushad Boedhoe onze organisatie, het Kollektief Jumpa Rajguru (1977-1985), opgericht. Ons Kollektief is vernoemd naar Jumpa Rajguru, de leider van het verzet van Brits-Indische contractarbeiders op de voormalige suikerplantage Alliance in 1902 (De Klerk:1953). Deze arbeiders waren niet te spreken over o.a. het gedrag van de Hindoestaanse sardár (voorman) Abdoellah. In Den Haag hadden we overwegend met eigen vrienden en geestverwanten te maken. De oprichting van ons Kollektief ging soepel. De kritische uitspraken van twee kernleden van ons Kollektief t.a.v. brahmanen, hindoepandits, Indiase geleerden, swami’s, goeroes, hindoeïsme en i.h.b. het erfelijke kastenstelsel werd door de behoudende Haagse hindoegemeenschap niet in dank afgenomen. In onze vrienden- en kennissenkring was er van meet af aan een ideologische tegenstelling tussen een kleine groep van linkse radicalen en de overgrote meerderheid van gematigd denkenden. Dit verschil in opvattingen vormde in 1978 een struikelblok, dat ons op cruciale momenten parten heeft gespeeld. Toen de trotskistische-ideoloog en de radicale feministen vertrokken waren, kwam het Kollektief in rustig politiek vaarwater terecht. De staatsgreep in Suriname, de arrestatie van drie linkse militairen en de latere decembermoorden beroerde ook ons Kollektief.
- Onze taalkundige en literaire sectie
Ons Kollektief telde drie pijlers c.q. segmenten: cultuur, maatschappij en politiek, die nauw met elkaar verbonden waren. Een deel van de sectie cultuur, m.n. de sub-sectie Sarnámi, hield zich hoofdzakelijk bezig met de wetenschappelijke bestudering van de grammatica van het Sarnámi: o.a. van syntaxis, orthografie, lexicon, transcriptie en voorts de ontwikkeling van een leerboek. Voorheen was het Sarnámi uitsluitend een orale, een gesproken taal. Zonder overdrijving kan er gesteld worden, dat er in enkele jaren door een kleine groep veel pionierswerk is verzet. De sub-sectie Sarnámi kon op belangrijke linguïstische steun van dr. Theo Damsteegt, een universitaire docent, rekenen. Deze indoloog was gespecialiseerd in Hindi-literatuur. Ook de latere bijdragen van dr. J.H. Adhin was prijzenswaardig. Met vereende kracht kon er gewerkt worden aan de moeizame emancipatie van onze kleine moedertaal. Bij het streven om dit doel te realiseren, ondervonden wij weerstand uit de gelederen van de Hindoestanen zelf, vnl. van pandits en Hindileraren. Djiet Baldewsingh en Bris Mahabier gingen confrontaties met pandits en Hindileraren niet uit de weg. Wij schuwden kritiek op delen van het hindoeïsme en de hindoecultuur niet. In 1977 publiceerde Jit Narain (1948-2024) zijn eerste dichtbundel met de veelzeggende titel Dál Bhát Chatni (Gele erwten, rijst en chutney). Deze titel refereerde duidelijk naar zijn (eigenlijk onze) onze sociale afkomst. Dál bhát catni was in Suriname het volksvoedsel van arme Hindoestanen op het platteland. Wij werden als boiti-koelies (polderjongens) gezien. Van zijn hand, die vanaf 1992 als landbouwende huisarts, letterlijk in de Surinaamse grond wroette, zouden er tot 1924 twaalf dichtbundels het daglicht zien. De uitgeverij In de Knipscheer gaf in 2021 Een mensenkind in niemandsland uit. Deze bloemlezing uit de werken van Jit Narain is o.a. door prof. dr. Michiel van Kempen geredigeerd. Vanaf 1977 tot het midden van de jaren tachtig vormden Rahi (R. Ramdas, 1953), Gharietje Choenni (1951-2022) en Chitra Gajadin (1954) een Sarnámi dichtersgroep. Deze werd door Jit Narain gecoördineerd. Vooral Jit Narain maakte met zijn voordrachten van eigen gedichten -ook in het Nederlands – veel indruk.
Onder leiding van dr. J.H. Adhin kwam de officiële Romaanse spelling van het Sarnámi in Paramaribo in 1984 tot stand. Deze spelling is door de toenmalige Surinaamse regering aanvaard. Moti Marhé (1943-2025) studeerde in 1985 als Neerlandicus af op Een elementaire grammatica van het Sarnámi. Hij bestudeerde als eerste de spraakkunst van onze moedertaal. In 1987 verscheen van de hand van Theo Damsteegt en Jit Narain een Leerboek van het Sarnámi, het eerste in zijn soort. Rabin S. Baldewsingh (1962) woonde als puber o.a. de politieke scholing van het Kollektief bij. Ook nam hij deel aan de literaire activiteiten. Vanaf 1984 is Rabin een productieve schrijver van proza en poëzie. Thans is hij de trekker van de Sarnámibeweging in Nederland en Suriname. Deze beweging is eigenlijk voortgekomen uit het Kollektief Jumpa Rajguru. Buiten het Kollektief hebben Candani (schrijversnaam van Asha Radjkoemar, 1965-2022) en Raj Mohan (1964) zich verdienstelijk gemaakt met Sarnámi poëziebundels. De laatste ook als zanger van Sarnámi liedjes; niet alleen in Nederland maar ook in o.a. Uttar Pradesh in Noord-India. Amar Soekhlal, Vijay Gangadin en Shanu Boedhoe dragen actief bij om onze kleine moedertaal levend te houden. Helaas moeten we in Suriname met slechts enkele stille en passieve sympathisanten van het Sarnámi doen. De Sarnámistrijders Jit Narain, Harridew Sahtoe en Jan Soebhag zijn er niet meer. Helaas. Er zijn wel drie productieve toneelgroepen in Wanica en één in Meerzorg die consequent gebruik maken van het Sarnámi leveren.
- De maatschappijsectie
Het maatschappelijke segment van het Kollektief was fel gekant tegen onderdrukking en ongelijkwaardige behandeling van groepen, i.h.b. van Hindoestaans-Nederlandse vrouwen. Gharietje Choenni ontwikkelde zich tot een radicale feministe, terwijl Alma Mahawatkhan en Irene Ramautar de gematigde sociaaldemocratische emancipatieagenda vertegenwoordigden. \In het Kollektief had je gelovigen: vnl. agnosten, atheïsten en hindoes. De kern van onze groep was ongelovig! Dit betekent: zij had geen binding met bovennatuurlijke krachten. Stevige, onderbouwde religiekritiek werd er niet alleen verbaal op bijeenkomsten, maar ook in geschreven vorm geleverd op bepaalde delen van het ‘eeuwige’ hindoeïsme. Hierbij bleven bepaalde passages en opvattingen uit ‘heilige’ geschriften niet buiten schot van Jit Narain en Bris Mahabier, die niet schroomden om een enkele keer zelfs in een mandir (gebedshuis) een felle confrontatie aan te gaan. Discriminatoire en raciale opvattingen in de hindoeliteratuur werden scherp aan de kaak gesteld. De dominante positie van de brahmaanse kaste en van pandits vormde een doorn in de ogen van deze twee activisten. Het Kollektief koos principieel voor bepaalde culturele uitingen van gewone Hindoestanen, het boiti-volk: landbouwers, arbeiders en werklozen. In onze visie was onze Surinaamse volkscultuur een bepalend onderdeel van onze identiteit die grote overeenkomsten vertoonde met die van de Caribische Hindoestanen, maar grote verschillen met die van Noord-India.
- De politieke sectie
De politieke sectie hield zich bezig met o.a.: marxistische basisscholing, deelname aan protestactiviteiten tegen discriminatie, racisme, kruisrakketten, participatie in debatten en discussies over de ontwikkelingen in Suriname, die bijv. verband hielden met slavernij, immigratie, massale emigratie naar Nederland, de onafhankelijkheid in 1975 en de staatsgreep in 1980. Ook Derde Wereldvraagstukken werden bestudeerd. Surinaamse kiezers werden op verschillende manieren gestimuleerd om aan de lokale en landelijke verkiezingen deel te nemen. Voor het voeren van politieke propaganda maakten we ook gebruik van illegale lokale radiozenders. De oud-kollektivisten Rabin Baldewsingh en Krishna Autar werden als sociaaldemocraten in de gemeenteraden van respectievelijk Den Haag en Zoetermeer gekozen, terwijl Naushad Boedhoe en Rabin Baldewsingh verschillende termijnen wethoudersportefeuilles hebben beheerd. Ruben S. Gowricharn, een van onze oud-leden, werd hoogleraar in Tilburg. Door ontwikkelingen in de voormalige Sovjet-Unie, China, Chili, Grenada en elders in de jaren tachtig en daarna, waar de socialistische samenleving reeds in de opbouwfase ontaardde in tirannieke staten, raakten ook wij in ideologische onzekerheid. Weer moesten wij op pad. Moeizaam op zoek gaan naar nieuwe ideeën en idealen… Zo werd de democratische rechtstaat door de voormalige linkse radicalen met beide handen aanvaard. Echter door sommigen met een kritische blik naar het veel geprezen multiculturalisme. Eerlijkheidshalve dient vermeld te worden, dat Naushad Boedhoe, Djiet Baldewsingh, Alma Mahawatkhan en Irene Ramautar voorstanders waren van een sociaaldemocratische ordening.