Kwatta: Waar het verleden toekomst wordt

Reacties zijn gesloten

Kwatta: Waar het verleden toekomst wordt

 Amar K. Soekhlal

Er zijn huizen die meer dragen dan muren, en families die meer bewaren dan herinneringen. Op Kwatta, tussen het oude puranká gharwá en het nieuwe huis op stenen palen, groeide een familie op die generaties verbond, verliezen droeg en toekomst bouwde.

Ik heb vijf zussen en vier broers, variërend in leeftijd van 85 tot 62 jaar. Zes van hen wonen in Suriname, drie in Nederland. En hoewel mijn zus Parbha na een lang ziekbed op 14 februari 2025 is overleden, is ze nog altijd bij ons — in onze gesprekken, in onze herinneringen, in de manier waarop wij elkaar vasthouden. Haar stem, haar lach, haar zorg: ze beweegt nog steeds door onze familie alsof ze even de kamer uit is gelopen.

We zijn in de gelukkige omstandigheid dat wij regelmatig samenkomen, in Suriname of in Nederland. In mei waren we weer bij elkaar. En zoals altijd gingen de gesprekken terug naar vroeger, naar de tijd die ons gevormd heeft, naar het ouderlijke huis op Kwatta dat als een fundament onder onze levens ligt.

Mijn vader en Parbha. De laatste bewoners van het huis

Mijn jongere broers Ashok, Hariepersad en ik zijn nakomertjes. Voor het grootste deel hebben onze zusters de zorg voor ons gedragen. Wij drieën zijn in redelijke welvaart opgevoed, zeker wanneer je het vergelijkt met de bittere armoede van 85 jaar geleden, toen onze oudste broer Ramadhar werd geboren — en wat daarna kwam. Wanneer we over vroeger praten, spreken we allemaal over puranká gharwá, het oude huis. Alle tien kinderen van mijn ouders zijn daar geboren. Toen het huis werd gebouwd was ik zeven jaar, en ik heb nog levendige herinneringen aan de bouw: het geluid van hamers, het ruwe hout en de geur van zaagsel.

Mijn ouders waren landbouwers, en dat was in die tijd geen gemakkelijk beroep. We hadden ook koeien, die elke ochtend rond 4.30 uur gemolken moesten worden. De stal moest worden schoongemaakt, de pas geplante tomatenplantjes water gegeven. Dat water haalden we uit de zwamp, zeker vijftig meter verderop. Het leven van mijn ouders was hard. De zorg voor tien kinderen moet zwaar op hen hebben gedrukt, maar ze klaagden niet — ze droegen het zoals landbouwers alles dragen: met stille kracht.

Sila didi, met haar fotografisch geheugen, is onze levende archiefkast. In de familieapp schreef ze dat het huis op páwa’s stond, van ruwe ongeschaafde hout was en ongeverfd. Het bestond uit een kleine hal en een grote kamer waar we allemaal sliepen. Tien kinderen, op enkele catái’s of op jute zakken. Wanneer het regende, druppelde het water door het dak en schoven we dichter tegen elkaar aan. Een emmer ving het water op. Tot 1958 was er geen elektriciteit op Kwatta; een kokolampu wierp zijn schaarse licht over onze avonden. Met Diváli werd het huis helemaal schoongemaakt, en met een houwer werd de vloer geschraapt tot hij weer glansde. Ondanks alles — of misschien juist daardoor — dragen wij warme herinneringen aan dat huis. Het was eenvoudig, maar het was hamlog ke dunyá, onze wereld.

In 1965 was onze oudste broer inmiddels onderwijzer en had een vast inkomen. Dat maakte het mogelijk om een lening af te sluiten bij de Fatum bank. Achter het puranká ghar werd een gloednieuw huis gebouwd, op hoge neuten — stenen palen — met vijf kamers en een voorzaal. Beneden waren er ook twee kamers en een hal. Het hout, gekocht bij Bruynzeel, was glad geschaafd. De inrichting was modern: midden in de voorzaal stond een ovaalvormige salontafel met vier stoelen, op een tapijt met Perzische motieven. In een vitrinekast stonden reclameglazen van verschillende bedrijven. Er was ook een heuse boekenplank en later kwam er een televisie, gekocht bij CHM, een bekende firma. Aan de dikte van de stenen palen kon je aflezen hoe welvarend een familie was. Hoe dikker de palen, hoe steviger de toekomst. Ons huis had brede, trotse palen. Bij de eerste steenlegging was de pandit aanwezig; met een kleine pujá zegende hij het begin van de bouw. Mijn vader vond dat het werk niet snel genoeg ging en sprak de aannemer streng toe. Hij moest sneller werken, anders zou hij worden vervangen. Of het geholpen heeft weet ik niet, maar ik herinner me dat het huis groeide alsof het haast had om ons te ontvangen. Het huis was op een gegeven moment af en het  werd ingezegend met een gharboj en met de muran-sanskár van Hariepersad, mijn jongste broertje.

Hariepersad en Ashok

Aashli “Sonwá” en Vashist

Langzaam, maar zeker begon het mijn ouders goed te gaan. Mijn vader kocht een stuk land op Awarra-hei, waar hij met geduld en doorzettingsvermogen landbouw deed. Eerst ging hij erheen op de fiets, en later kocht hij een pick-up — een kleine vrachtauto met een laadbak die als een trouwe metgezel naast hem stond. Het was alsof het leven zich stukje bij beetje voor mijn ouders opende.

Waar in het oude huis mijn ouders hun kinderen verwelkomden, veranderde dat in het nieuwe huis. Mijn zussen trouwden en vertrokken, mijn broers Ramadhar en Henny gingen naar Nederland. Het huis werd leger, stiller, alsof de muren moesten wennen aan de echo van minder voetstappen. In 1974 vertrok ook ik naar Nederland, met een zak vol herinneringen die ik als een tweede huid met me meedroeg. Gelukkig kwam er weer leven in de brouwerij toen Ashok en Hariepersad trouwden. De kleinkinderen — Aashli “Sonwá”, Kavish, Reshmi en Vashist — brachten nieuw licht, nieuwe stemmen, nieuwe toekomst. Hun lach vulde de kamers alsof het huis opnieuw leerde ademen. Maar in de afgelopen zestig jaar hebben wij ook afscheid moeten nemen van dierbaren. Eerst overleed onze áji, daarna onze moeder, vervolgens onze vader, en afgelopen jaar onze zus Parbha. Na het overlijden van onze vader woonde Parbha alleen in dat huis — het huis dat haar droeg, dat haar kende, dat haar stiltes en haar zorgen heeft bewaard. En nu, na zestig jaar, is het oude huis aan vervanging toe. Het wordt gesloopt. Toen wij destijds van het puranká gharwá naar het nieuwe huis verhuisden, voelde dat als vooruitgang, als een stap naar een betere toekomst. Nu voelt het anders. Wij zijn allemaal verdrietig, maar we weten dat het noodzakelijk is. De kleinkinderen, die daar hun jeugd hebben doorgebracht, koesteren warme herinneringen — vooral aan hun ajá en phuwá. Ze raken niet uitgepraat over het lekkere eten van phuwá en de dulár van ájá, die zachte, beschermende liefde die als een mantel om hen heen lag.

Je zou bijna zeggen dat de cirkel rond is. Er verrijst een nieuw huis, en de stenen palen staan er weer — als stille dragers van het fundament van ons leven. Ze dragen niet alleen het gewicht van een gebouw, maar ook dat van een familie die blijft groeien, herinneren, en liefhebben. Het nieuwe huis komt niet in de plaats van het oude; het komt voort uit het oude, zoals een kind voortkomt uit zijn ouders. Het staat op dezelfde grond, ademt dezelfde lucht, en zal opnieuw gevuld worden met stemmen, met verhalen, met de geur van kukuhi en patáká, met de dulár van generaties die elkaar blijven vinden. De generatie van Aashli “Sonwá” en Vashist.