Door Bris Mahabier (1941)
1.Verslechterende mentale gezondheid

André Bhola overleed op 15 augustus jl. op 87-jarige leeftijd na een verblijf van ongeveer vijf weken in een verpleeghuis in Amsterdam-Zuidoost. André woonde vanaf augustus 1970 in Amsterdam, waar hij tot zijn vervroegde pensionering in 2000 als aardrijkskundedocent in het voortgezet onderwijs heeft gewerkt. Hierna ging hij als een onbetaalde sociaal-culturele werker door. Hiermee was hij reeds in 1978 begonnen. André was een van de eerste Hindoestaanse gemeenschapsopbouwers in Amsterdam. De laatste vier jaar ging het met zijn geestelijke gezondheid zienderogen bergafwaarts. Toch vertoonde hij geen klagerig gedrag. De buitenwereld, zijn grote persoonlijke netwerk met zelfs landelijke reikwijdte, werd geleidelijk kleiner en kleiner. Zijn rijke herinneringen, zijn in het geheugen opgeslagen kennis en het vermogen om nieuwe informatie snel op te nemen en anderen te herkennen, vervaagden. Onze recente telefoongesprekken bij tijd en wijle bleven beperkt tot enkele gebruikelijke korte vragende zinnen. ‘André, tu kaise báte?’ (André, hoe gaat het met je?) De joviale vertrouwde stem van vroeger was zachter geworden. Onze conversaties werden voorspelbaar en kort. Gelukkig nam Betsy Kanhai, zijn echtgenote, vanaf 1958 in lief en leed innig met André verbonden, bijna altijd het gesprek over. Doorvragen over André’s gezondheidssituatie had weinig zin. De antwoorden waren ook mij al bekend, bijv. via zijn vriend Ram Soekhlal die André en Betsy regelmatig opbelde. Het was intriest om de verslechtering van zijn mentale gezondheid te ervaren. De immer zorgzame Betsy en zijn vier kinderen stonden hem zoveel mogelijk bij. Eigenlijk stond Betsy permanent aan de zijde van haar echtgenoot. Uiteindelijk overkwam onverwacht ook André datgene waarover hij in zijn goede jaren als gespecialiseerde vrijwilliger voorlichting had gegeven, m.n. geleidelijke achteruitgang van zijn geheugen. Omgaan met diabetes, veroudering, vereenzaming, depressie en dementie waren de gezondheidsonderwerpen die André als met anderen in het Nederlands, het Hindi en het Sarnámi besprak. Dit deed hij o.a. in mandirs (hindoetempels) en buurthuizen. Nieuw was hierbij – jaren geleden – het gebruik van een zelfgeschreven toneelstuk over diabetes, waarin ook hij op het einde een rol vertolkte. Dan verscheen André – als ervaringsdeskundige – op het podium en hield een korte, heldere voorlichtingstoespraak over omgaan met suikerziekte, de sluipmoordenaar van vele Nederlandse Hindoestanen.
- André Bhola, een familiemens, maar ook sociaal bewogen

André Bhola, afkomstig uit een agrarische joint family (driegeneratiegezin), was een familiemens. Het gezin Bhola behoorde in de langgerekte nederzetting Bombay in Saramacca kennelijk tot de lagere middenklasse. In zijn jeugd en in de vakanties moest hij meehelpen met rijstplanten en -oogsten. Zeker is, dat ook André ‘dhán ke dukh’, de ‘pijn’ van het rijstplanten, heeft ervaren. Het westerse onderwijs en i.h.b. zijn beroepsopleiding betekenden ook voor hem en zijn neef Sam A. Binda bevrijding van de zware rijstteelt. Ongetwijfeld, ook dankzij de oplettendheid, het scherpe oog en de kosteloze bijlessen van meester R.F von Bochove in Bombay en de medewerking van directeur May van de elitaire Julianaschool voor glo-A in Paramaribo. André ontwikkelde zich tot een begenadigde onderwijzer, later een aardrijkskundedocent die zijn leerlingen vertelde over o.a. de bestaanswijze van een gemeenschap in een bepaald gebied, het ontstaan en de inrichting van diverse landschapstypen. Evenzo werd André een lokale Amsterdamse sociaaldemocratische politicus en een vriend van velen. Hij was sociaal bewogen en bovenal bereid om te handelen ten gunste van zijn medemens in het voormalige Bijlmermeer. Het is mijn onwrikbare overtuiging, dat manur bhava (= wordt een mens), een sociaal-filosofische kernspreuk uit de Rig Veda (van 1.500 BC), al vroeg niet meer van toepassing was op André Bhola. Hij hoefde niet nog eens mens te worden: André Bhola was vanaf zijn jeugd al een mens! Een mens met een hoogontwikkeld sociaal gevoel en geïnteresseerd in de Hindoestaanse cultuur, inclusief de Vedische religie van zijn árya samáji familie. Zijn karakterontwikkeling was het resultaat van o.a. de hindoeopvoeding thuis op het eenvoudige platteland in Bombay, het westerse onderwijs en de ervaring van de ‘gedwongen’ zelfstandigheid in de stad: het alleen wonen in de Corneliastraat nr. 4 in Paramaribo in de periode 1952-1957. Deze woonsituatie pakte voor André minstens in één opzicht uitstekend uit. Daar raakte hij bevriend met zijn lieftallige buurmeisje Betsy Kanhai; eveneens met roots in het district Saramacca. Uit deze juveniele vriendschap ontwikkelde zich een romantische relatie. Betsy werd André’s liefdes- en levenspartner. De vader van André bezat in de Corneliastraat een eigendomsperceel, een prási, met daarop drie woningen. Een opvallende prestatie voor een landbouwer uit Bombay. André moest als puber al zelfstandig zijn eenmanshuishouding organiseren en raakte hierdoor doordrongen van verantwoordelijkheidsgevoel voor zichzelf en ook voor anderen. De eerste zes maanden heeft Sam A. Binda, zijn neef en klasgenoot uit Bombay bij hem ingewoond. Tot en met de kweekschool waren André en Sam elkaars studiegenoten. Jammer, dat hun relatie door omstandigheden verwaterde; in Nederland helemaal. Zijn neef Sam was hij zeker niet vergeten! Als André vóór zijn huwelijk soms in financiële nood zat, klopte hij bij Percy Landveld aan, die nooit hulp geweigerd heeft!
- 1952: ‘Papa Binda, ga eerst schoenen kopen.’
Op de kleine lagere school in zijn geboorteplaats Bombay op de kleiige en vochtige, maar vruchtbare rechteroever van de Saramaccarivier zat André Bhola samen met zijn jongere neef Sam Binda in de klas van meester R.F.von Bochove. Deze witte Boeroe-onderwijzer kreeg in de gaten, dat een klein aantal jongens van zijn klas leergierig was. Hij vermoedde bijzondere leercapaciteiten bij hen. Op zijn voorstel werden voor hen extra leerboeken aangeschaft en hij gaf hun enkele keren per week in de middaguren kosteloos bijles in de vier hoofdvakken. In de zesde klas van deze school adviseerde hij hun ouders om hun zonen in de stad Paramaribo verder te laten leren op een school voor glo-A, vergelijkbaar met een basisschool. Dit was een grote financiële opgave. Desondanks stemdeun de ouders toe. De vader van Sam Binda was bevriend met de bekende onderwijzer May, die eerder in Bombay had gewerkt. Nu was May directeur van de Julianaschool in de chique oude wijk Combé in Paramaribo. In de grote vakantie van 1952 begeleidde de vader van Sam beide jongens naar de hoofdstad. Alleen de busreis duurde ruim twee uur. Op hun blote bezande voeten stonden Sam en André in de woonkamer van meester May. De inschrijving was gauw rond. Kennelijk had meester R.F von Bochove al voorwerk verricht. Toen vroeg de vader van Sam: ”Meester, hoeveel lesgeld moeten de jongens betalen?” “Luister papa Binda, denk niet aan schoolgeld. Ga eerst schoenen voor de jongens kopen”, repliceerde de heer May.
- André’s studie en onderwijscarrière

André en Sam Binda, werden een klas lager geplaatst. Twee jaar later slaagden zij voor het toelatingsexamen voor de mulo. André had schitterende cijfers. Beiden werden op de beste mulo van Paramaribo, de Hendrikschool in 1953 ingeschreven. In het tweede leerjaar raakte ik bevriend met Sam Binda. Deze vriendschap duurt nog voort. In deze muloperiode had ik oppervlakkig contact met André. In 1957 gingen Sam en André met hun overgangsrapport van mulo 3B naar de kweekschool. André en Betsy, een buurmeisje met roots eveneens in het verre Saramacca, raakten verliefd en trouwden in 1958. In 1961 behaalde André zijn onderwijzersakte, het diploma van de Surinaamse Kweekschool (SKS). Hij begon als onderwijzer op de Oranjeschool waarvan Rudolf L. Janki directeur was. Zij raakten met elkaar bevriend. Vervolgens behaalde André via de avondopleiding – zonder doubleren – zijn hoofdonderwijzersakte (hbo-diploma). Hij werd op relatief jonge leeftijd als directeur van de Oranjeschool benoemd, later van de grote openbare school van de Derde Rijweg. Op deze school raakte André bevriend met het echtpaar Ram Soekhlal en Indra Baldewsing. Hun vriendschap was hecht en werd in Nederland voortgezet. In de jaren 1967 tot 1969 ontmoette ik André regelmatig op de bijeenkomsten van de Actiegroep o.l.v. mr. P. Chandi Shaw. Deze partij maakte in die jaren deel uit van een coalitieregering. Er werd regelmatig in kleine groepen vergaderd. André en ik maakten deel uit van het jonge kader van de Actiegroep dat een tijdje informeel o.l.v. drs. Jozef Pahladsingh stond. Voor deze groep van ongeveer 12 personen, bijna allen hbo’ers en uit Nederland geremigreerd, moest ik als eerste een inleiding over Jongeren en politiek houden. André Bhola en Dhari T. Soekhlal (studeerde later geschiedenis aan de VU) hebben mij toen met de voorbereiding van deze lezing geholpen. Ook op de aardrijkskunde MO-opleiding in Paramaribo kwam André altijd opvallend netjes en smaakvol gekleed; zeker niet overdreven duur. In 1969-1970 volgden we samen colleges in sociale geografie, geologie en klimatologie. We hadden twee avonden in de week les. In dat studiejaar leerde ik André beter kennen. Ook hij was enigszins ontevreden over de organisatie van de opleiding aardrijkskunde MO-A. We spraken regelmatig met elkaar en met andere studenten, bijv. over de inhoud van bepaalde ‘zwakke’ lessen (colleges?) en de voorgeschreven literatuur. Een van de docenten zag kans om twee lesuren grotendeels uit een klein pocketboek van prof. H.J. Keuning voor te lezen.
- 1970: André’s vertrek naar Amsterdam
André was optimaal gemotiveerd aan de opleiding aardrijkskunde MO-A begonnen. Gaandeweg veranderde zijn houding. Vooral in het jaar 1969 was een lange onderwijsstaking. In het studiejaar 1969-1970 kregen hij te maken met enkele minder sterke docenten en verouderde boeken waar je moeilijk aan kon komen. Na het einde van het schooljaar 1969-1970 vertrok André – ook op advies van zijn vriend Harry Tewarie – met betaald buitenlands verlof naar Amsterdam om aan de Vrije Universiteit (VU) sociale geografie te studeren. Later volgde Betsy met hun vier jonge kinderen. Vrienden van André: Rudolf L. Janki (ex-minister), Param Tewarie, Sies Mungra, Kesho Tewarie en Krish Bhandhu hielpen André de eerste weken/maanden na zijn aankomst. André heeft een tijdje bij Kesho en zijn vader pandit Rishi Tewarie in de hoofdstad gelogeerd. Krish Bandhu ving later het gezin van André in zijn appartement in de Bijlmermeer op. Na remigratie van Krish Bandhu werd zijn appartement door André overgenomen. Eindelijk eigen woonruimte!
- André in een gemeenschap dienende rol

André zag eigenlijk in ‘anderen’ altijd medemensen. Hij was niet volmaakt. Immers, waar er gehakt wordt, vallen er spaanders… Jonge onderwijzers moesten veel leren, ook via de weg van trial and error, met vallen en opstaan. André was volkomen integer en stond meestal klaar voor anderen. Niet alleen voor vele van zijn verwanten en vrienden, maar ook als bestuurslid van de Vaidik Arya Samaj (VAS) in Amsterdam, de Landelijke Federatie van Arya Samaj Organisaties in Nederland (FASNED) en de stichting Omroep Hindoe Media (OHM). André richtte in 1996 de Hindoestaanse welzijnsorganisatie Anand Joti op. Hierin lag het accent eerst vooral op cultuurbeleving, later op scholing, educatie, yoga, kleine conferenties, samenzijn en gezond bewegen. Evenzo werd onder de volhardende leiding van André Anand Joti, een modern wooncomplex in Amsterdam-Zuidoost, speciaal voor Hindoestaanse senioren, gerealiseerd. In 2003 werd André Bhola tot ridder in de Orde van Oranje-Nassau benoemd. Dit was een formele erkenning van zijn jarenlange niet-zelfzuchtige maatschappelijke inspanning. André was eerst via voorkeursstemmen in de deelraad van Amsterdam-Zuidoost gekozen, later werd hij benoemd tot voorzitter van de deelraad. Hij is twee termijnen deelraadslid geweest. Een gedegen onderzoek verklaarde André Bhola en drie van zijn PvdA-collega’s onschuldig. Deze onterechte beschuldiging, die met veel publiciteit kreeg, had grote impact op André! André, geholpen door zijn empathisch vermogen, vooral tot wasdom gekomen in het onderwijs in Suriname en Nederland, liet zich niet door etnische grenzen beperken. Hij onderhield goede contacten met andere delen van de grote lokale Surinaamse gemeenschap. André was tactvol en communicatief sterk: aandachtig en geduldig luisteren was een grondhouding van hem. Hij kon zijn emoties altijd goed beheersen, zei nooit een woord te veel en wees compromissen zelden af. Een eenvoudige realist die wars was van veel deftige woorden en onnodig lange zinnen. Voor materiële zaken had hij in de loop der jaren een fijne smaak ontwikkeld. Ook de kwaliteit van cognac, zijn lievelingsdrank, kon hij uitstekend beoordelen. André deed dit o.a. tijdens vliegvakanties samen met Ram Soekhlal, een van zijn boezemvrienden. Zijn persoonlijkheid was bijzonder. André was altijd bescheiden in de keuze van woorden. Hij hield niet van grootspraak! Zeer karakteristiek voor hem was zijn sobere charmante glimlach! Die zullen we – helaas – nu voorgoed moeten missen. In 1969 deed ik examen Nederlandse taal voor de hoofdonderwijzersakte. Op mijn examenliteratuurlijst had ik A House for Mister Biswas van V.S. Naipaul staan. Dit boek was bij de lokale boekhandels niet voorradig en het uitleenexemplaar van de bieb was gestolen. André hoorde van mijn zoektocht naar dit boek. ‘Broer, hier. Dit boek is voor jou.’ Ik kreeg van André deze roman, een nieuw exemplaar, cadeau, dat ik nog in mijn bezit heb. Dit boek heeft voor mij een zekere emotionele betekenis, die met vriendschap en hulpvaardigheid van André te maken heeft.
- 1972: ‘Broer, thik hai.’

Ik was in versneld tempo medio 1971 voor alle tentamens voor aardrijkskunde MO-A geslaagd, maar er was toen nog geen scriptiebegeleider om te kunnen afstuderen. De begeleiders: drs. Nico Waagmeester, drs. Jan Bongers drs. B. Nelemans die ik aangezocht had, werden door de opleidingscoördinator R. Biharie niet aanvaard omdat deze academici niet aan de MO-opleiding als docenten verbonden waren. Na een jaar van sociaal-culturele activiteiten besloot ik in juli 1972 om voor verdere studie naar Nederland te gaan. Ik schreef André of hij mij wilde opvangen. Dit zonder te weten wat zijn woonsituatie was. ‘Broer, thik hai.’ Het is oké, stond er in zijn antwoord. In de derde week van augustus 1972 stond André in de aankomsthal van Schiphol op mij te wachten. We reden naar zijn appartement in de Bijlmermeer. De volgende ochtend begeleidde André mij eerst naar de VU waar hij sociale geografie studeerde. Prof. G.A Hoekveld bevestigde wat hij eerder had geschreven. Ik moest eerst wiskunde op het atheneumniveau doen om tot de studie sociale geografie toegelaten te worden. ‘Broer, laten we naar de Universiteit van Amsterdam (UvA) gaan’ zei André. Dat deden we. De toelatingseisen van de UvA voor de dagopleiding waren nòg strenger. De studiecoördinator verwees ons naar de MO-opleiding van het Nutsseminarium van de UvA. De volgende dag bracht André mij, na zijn laatste les gegeven te hebben, erheen. Ik zou op maan- en dinsdagavond colleges volgen. Enkele maanden heb ik de nacht van maandag op dinsdag bij André geslapen. Ik sliep in een kamer samen met André’s zonen Irwin en Sudesh. André instrueerde mij zelfs hoe ik de douche moest gebruiken en informeerde mij over het reizen met de bus en tram in Amsterdam. Dit toont de voorbeeldige hulpvaardigheid van André aan. Gelukkig heb ik enkele keren mijn dankbaarheid voor zijn hulp aan André kenbaar gemaakt. Die zal ik blijven herhalen. Thik bá, André?