Anands Kheti-bári

Reacties zijn gesloten

Amar K. Soekhlal

In mijn jeugd op Kwatta in Suriname kende iedereen de anekdote over de man die was opgepakt omdat hij hennepplanten zou hebben geteeld. Ter verdediging zei hij tegen de politie: “Maar beambte, ik plant de gená, ikke niet wete waar die hennepplanten vandaan komen.” Iedereen moest lachen, want de gená‑plantjes —  Afrikaantjes — lijken inderdaad opvallend veel op hennep. Het was zo’n typisch Surinaams verhaal: een mengeling van onschuld, humor en de verbeeldingskracht van mensen die hun weg zoeken in het leven. Nu, jaren later, zie ik in mijn Haagse vriendenkring — veelal gepensioneerden — dat dezelfde verbeeldingskracht zich op nieuwe manieren uit. De een staat samen met zijn zoon fanatiek op de golfbaan, de ander koopt een dure auto om verre reizen te maken, weer een ander begint aan een moestuin. En wanneer we samenkomen, vertellen we elkaar de mooiste verhalen, alsof we opnieuw rond op het erf zitten, luisterend naar de stemmen van vroeger.

Zo vertelde mijn golfende vriend dat hij, terwijl hij op een prachtige baan stond en genoot van de natuur, tegen zijn zoon zei: “Betá, niet slecht voor een zoon van een landbouwer om hier op de golfbaan te staan.” Zijn zoon Amriet reageerde ad rem: “Ja pa, dat geldt voor jou, maar niet voor mij.” De lach die daarop volgde was er een van herkenning — de landbouw zit in onze ouders, in hun handen, in hun verhalen, maar niet altijd in ons. De vriend met de dure auto heeft een ander ritueel. Hij kijkt steeds uit het raam, en zodra er een parkeerplaats vrijkomt voor zijn huis, snelt hij naar buiten om zijn kostbare bezit precies daar te parkeren. We moeten hier altijd besmuikt om lachen. Het meest verrassend is echter de keuze van Anand Rewat. Hij heeft een moestuin gehuurd van 36 m² — iets wat niemand had zien aankomen. Onze Anand en groene vingers? Dat is een contradictio in terminis. Wie hem kent, weet dat hij eerder affiniteit heeft met sport, gesprekken, humor, oppassen op de lieve kleinkinderen en reflectie dan met aarde, mest en zaaigoed. Anand, geboren en getogen aan de Rahmalweg te Pad van Wanica, heeft nauwelijks affiniteit gehad met landbouw toen hij nog in Suriname woonde. De grootte van het erf van zijn ouders liet dat ook nauwelijks toe. Toch plantte zijn moeder overal op het erf groenten: bhátá, karaila, pói, een paar rohá (rijtjes) kusbánti, en natuurlijk een paar plantjes peper. Daarbij werd ze geholpen door de oudere zussen van Anand.

Maar het mooiste kwam nog: Anand vertelde de sterkste verhalen over zijn oogst. Met een trots, die je eerder zou verwachten bij een ervaren en succesvolle landbouwer dan bij hem, zei hij dan: ”Hij had weer karailá geoogst, of bhátá, of pói”. En vaak vroeg hij aan mij: “Amar, zal ik kusbánti voor je brengen of taibiri ke bháji?” Het klonk lief, gul, bijna aandoenlijk. Maar ik weigerde categorisch. Niet uit onbeleefdheid, maar omdat ik dacht: die lieve jongen gaat straks ergens bij een andere moestuinhouder groenten kopen en ze dan voor mij brengen. Ik had namelijk totaal geen vertrouwen in zijn talent als groenteteler. Ham soci, i londwá ká kheti bári karpái (ik dacht, deze jongen gaat geen landbouw activiteiten kunnen doen). Het was die combinatie van zijn onverwachte moestuin, zijn enthousiaste verhalen en mijn uitgesproken twijfel die het geheel zo grappig maakte. In Suriname heeft hij de landbouw, nooit aangeraakt en nu in Nederland is het een soort late roeping geworden. Maar op een dag appte zijn vrouw Meena mij met een vraag die mij even deed verstijven. Of ik bhátá lust? Als ik ja zei, zou ze het voor mij sturen — met Anand. En toen kwam die ene zin die alles op zijn kop zette: “Oh ja, die bhátá is afkomstig uit de tuin van Anand.” Hé bhagwán, dacht ik. Wat nu? Want ik weet uit de verhalen van mijn ouders dat bhátá‑plantjes goede zorg nodig hebben. Als je ze niet met aandacht begeleidt, groeien de bhátá’s krom, scheef, dun en een beetje verdrietig. “Tehrá bákul” zei mijn moeder altijd. En ik had nog steeds geen enkel vertrouwen in de agrariër Anand. Maar er was een ander dilemma: ik heb groot vertrouwen in de kookkunst van Meena. Haar hand in de keuken is verfijnd, precies en liefdevol. Dus zei ik toch: “Ja.”

Die bhátá had ze klaargemaakt met kleine stukjes álu, en het was heerlijk. Zó heerlijk dat ik even stil werd. Misschien — heel misschien — had Anand toch iets laten groeien dat de moeite waard was. Of misschien was het Meena die elke bhátá, krom of recht, kon omtoveren tot een gerecht dat je smaakpapillen streelt. Hoe dan ook: die dag proefde ik niet alleen bhátá, maar ook een beetje Pad van Wanica en Kwatta. En ik moest toegeven dat ik Anand misschien iets te streng had beoordeeld. Ik belde Anand op en vroeg of ik een keer langs kon komen om zijn moestuin te bewonderen. Maar hij zei resoluut: “Nee. Je hebt mij altijd uitgelachen, en nu wil je mijn tuin zien? Ná chórde, ná hoef hai.” (Nee, laat maar, het hoeft niet). Het was typisch Anand: een mengeling van gekwetste trots en speelse plagerij. Maar de volgende dag belde hij mij toch op. We reden samen op de fiets naar zijn moestuin, en ik was zeer benieuwd wat ik zou aantreffen. Mijn nieuwsgierigheid was groter dan mijn vertrouwen. In een voormalige immense kas — waar vroeger paprika werd geteeld — waren nu honderden moestuintjes ingericht die men kon huren. Zodra je de kas binnenkomt, zie je zakken aarde, potgrond, mest, en plantjes van allerlei soorten groenten. De plantjes kan je kopen voor je eigen moestuin. Dat is makkelijk, dacht ik. Zo kan ik het ook. Want vroeger in Suriname ging het heel anders. Zaadjes werden eerst gezaaid in een klein bedje. Dat was een precair proces: het bedje werd zorgvuldig gereedgemaakt, de zaadjes heel voorzichtig gezaaid, en om de plantjes te beschermen tegen de zon werd het afgedekt met kokosbladeren. In de tussentijd werd het te beplanten stuk grond klaargemaakt: lange bedden, keurig afgescheiden door een goot. Pas wanneer de plantjes groot genoeg waren, werden ze overgeplant. Dat was landbouw met ritme, geduld en precisie — een kunst die je niet zomaar leert.

In de hal van de kas stond een grote tafel waar overtollige oogst werd neergezet, zodat anderen het konden meenemen. Mijn argwaan nam verder toe, zijn oogst komt van die tafel!  Want als je zomaar plantjes kunt kopen, aarde kunt scheppen en oogst kunt ruilen… ja, dan kan iedereen landbouwer spelen, maar ik hield wijselijk mijn mond. Ik liep langs de moestuintjes en wat mij meteen opviel: heel veel Hindostanen hadden een moestuin. Als je het niet herkende aan de naam, dan zeker aan de madame Jeanette‑plantjes en de kusbánti. Het was alsof een stukje Suriname — een stukje erf, een stukje traditie — zich hier in Nederland opnieuw had verzameld onder glas. “Hier is het,” zei Anand, en ik stond oog in oog met zijn tuin. Ik moet eerl

ijk bekennen: het zag er fantastisch uit. De karailá’s hingen zwaar aan de jhamrá, de bhátá’s stonden fier en gezond, zelfs de druiven aan de ranken glansden. Ik zag een anturwá met groene vruchten, tomaten die in overvloed aan stokken en spandraad wachten om geoogst te worden. Het was een tuin die niet alleen groeide, maar ook sprak.

Maar het meest verbaasde mij die omgekeerde fles in de grond. In één klap stond ik weer op Kwatta, waar elke landbouwer een fles of een laars omgekeerd aan een stok tussen het gewas had gestoken. Niemand vroeg waarom. Iedereen wist het: tegen najar, het boze oog. Een klein ritueel, een groot vertrouwen. Anand zag dat ik sprakeloos was. “Sáre, dit had je niet verwacht hé,” zei hij, met die mengeling van trots en ondeugende glimlach die alleen goede vrienden herkennen. (U moet weten, dat sáre een scheldwoord is). En hij had gelijk. Wat mij trof, was dat hij precies die groenten had geplant die zijn moeder vroeger aan de Rahmalweg plantte: karailá, bhátá, pói, kusbánti en peper. Alsof haar zorg hier voor de planten opnieuw tot leven kwam — maar nu in de handen van haar zoon, die nooit iets met landbouw had gehad. Op dat moment dacht ik: misschien is die moestuin van 36 m² niet zomaar een hobby. Misschien is het een herinnering aan vroeger. Een herinnering die pas nu, in rustiger tijden, ruimte krijgt om wortel te schieten.

En nu kom ik terug bij de anekdote waarmee ik mijn verhaal begon. Want ook Anand, in zijn prille carrière als landbouwer, heeft zich verbaasd over een reeks hilarische verrassingen. Hij had kusbánti geplant — dacht hij. Maar toen de plant groter werd, bleek het péisi te zijn. Hij had sla geplant — vol trots. Maar wat kwam er uit de grond? Radijsjes. En die ene keer dat hij ervan overtuigd was dat hij madame Jeanette peper had geplant… maar aan de plant groeide doodleuk paprika.

Het was alsof de tuin telkens een klein grapje met hem wilde uithalen. Alsof de aarde zei: “Anand, rustig aan, je bent nog in opleiding.” Maar juist die vergissingen maakten zijn moestuin zo charmant en dat ik ontzettend trots ben op mijn dost. En nu weet ik: de volgende keer dat hij mij iets aanbiedt, zal ik het zeker aannemen. Niet alleen uit beleefdheid, niet alleen uit vriendschap, maar uit een soort stille erkenning dat zijn moestuin — met al zijn vergissingen — een klein wonder is. En diep van binnen hoop ik dat Meena er weer een culinair hoogstandje van maakt. Want als Anand de planten laat groeien, laat zij de smaken bloeien.