Ájá ke yád men. Ondernemer, landbouwer en sociale strijder. (Herinneringen aan mijn grootvader)
Krishna Autar[1]
Vorige maand hebt u kunnen lezen over de redenen waarom mijn ájá India verliet en hoe hij zich uiteindelijk in Suriname vestigde. In deze nieuwsbrief richten wij ons op een ander belangrijk hoofdstuk uit zijn leven: zijn sociale strijd.
Sociale strijd

Ájá had de gevolgen van de sociale hiërarchie van het kastenstelsel in Bharat aan den lijve ondervonden. De priesterkaste (brahmanen, die hij bábhans noemde) had voor zichzelf in die hiërarchie de hoogste positie toebedeeld[2]. In het depot en op het schip leefden alle passagiers echter ongeacht hun klasse, kaste of religie samen. Het misbruik dat de priesterkaste (bábhans) weer probeerde te maken van hun positie in het sociale leven van Suriname was een doorn in zijn ogen. Op religieuze feesten (nautá’s) of huwelijken werden pandits en mensen die zich rekenden tot de priester- en krijgerskaste als eerst apart bediend met eten en drinken. Vrouwen, kinderen en andere mannen moesten wachten tot zij klaar waren met hun maaltijd. Ájá protesteerde consistent als hij dit tafereel meemaakte. Midden op het feest scandeerde hij alleen of samen met enkele bondgenoten dat vrouwen en kinderen eerst in de gelegenheid gesteld moesten worden om te gaan eten. Daarna alle mannen samen ongeacht rang, kaste of stand. Ook kwam hij op voor de verdrukten in de samenleving. Bijvoorbeeld voor de verbetering van de positie van schoondochters. Op aandringen van anderen zong hij birhá’s met een vinger in zijn oor en een rondje draaiend op nautá’s (feesten). Toen de organisatie Bharat Oedai in 1922 begon, constateerden hij en zijn geestverwanten dat het bestuur van deze organisatie alleen bestond uit mensen van de hogere kasten (bábhans). De vrees ontstond bij hen dat deze organisatie de kastenhiërarchie in Suriname zou willen herintroduceren. Als pendant van Bharat Oedai werd de organisatie ‘Hardjan’ (Gods Volk) in 1934 voor de zogenaamde lagere kasten opgericht, waar ájá deel uitmaakte van het bestuur (Klerk, 1998). Deze organisatie heeft om allerlei redenen niet lang bestaan, maar ze heeft wel duidelijk een signaal afgegeven dat bábhans niet moesten denken dat ze alleen de dienst kunnen uitmaken in Suriname. Ájá was zoekende naar god. Elk

e ochtend als hij ging wassen en baden in het Saramaccakanaal, bad hij zichtbaar met gevouwen handen tot de opkomende zon, bron van energie. Hij prevelde wat mantra’s erbij. Uit Bharat had hij een geëmailleerd Boedhabeeld meegenomen, dat altijd in zijn directe omgeving aanwezig was. Hij had sympathie voor het Boeddhisme, de Kabirpanthi’s en Arya Samaj, maar nam heel gauw afstand van de samáji’s. In de familie werd gesproken over zijn betrokkenheid bij de Arya Pratinidhi Sabha Suriname (APSS). Het is onbekend hoelang hij bij deze splitsing van Arya Samaj was betrokken. Zowel in de huiskamer als in de winkel hingen er geen ingelijste posters van hindoegoden. Er hingen wel biografische posters van Mahatma Gandhi, Nehru, Ambedkar, Subash Chanderbosh, die Hitler in de poster een stevige handdruk geeft. Als Europeanen die voor Bruynzeel werkten in de winkel kwamen voor hun rantsoen voordat zij het binnenland introkken, waren ze enorm verbaasd dat in een ingelijst biografisch poster Hitler is afgebeeld die in de winkel hing. Ájá kon alleen in het Hindostaans en Engels communicer en. Hij reageerde dan in het Engels tegen de Europese gasten dat het Britse imperium zijn geboorteland lange tijd had bezet, vernederd en uitgebuit. Hij had daarom begrip voor de acties van Hitler om de arrogantie en macht van de Britten in de wereld te verzwakken. Hij was kennelijk niet op de hoogte wat de nazi’s onder leiding van Hitler in Europa met o.m. Joden en Roma’s hadden uitgehaald. Ájá was geletterd in het nágrischrift. Hij bezat een Bhagavad Gita boekje in klein formaat, dat hij vaak las als er geen klanten in de winkel waren. In de winkel deed hij de administratie in het cijferstelsel van het nágrischrift. Ook zijn boodschappenlijst maakte hij in het nágrischrift als hij naar de stad ging voor de aanvulling van de winkelvoorraad. Hij is in 1960 op 75-jarigeleeftijd heengegaan in de armen van zijn jongste zoon in de winkel op Leiding 5. Ájá is toen niet gecremeerd[3] maar begraven op de begraafplaats van Leiding 7B.
Bronnen
- Autar, Krishna. (2020). Ego kantráki aur okar potá ke chotá itihás. In: R.S. Baldewsing, Apan-apan dhaplá apan-apan awáj, Surinen, Den Haag.
- Choenni, Chan. (2004). Crematie bij hindoes. In: Magazine Hindorama, jaargang 5, nummer 6.
- Fukuyama, Francis, (2011). De oorsprong van onze politiek (deel 1). Contact, Amsterdam.
- Ghosh, Amitav. (2009). Zee van papaver. De Bezige Bij, Amsterdam.
- De Klerk, C.J.M. (1998). De immigratie der Hindostanen in Suriname. Amrit, Den Haag.
- Mehta, Deepa. (2005). Film Water. https://en.wikipedia.org/wiki/Water.
- Nationaal Archief Suriname.
- Teunissen, Anneke. (2000). Film over weduwen doelwit van hindoefundamentalisten. In: de Volkskrant, 8 april.
[1] Henk Moeniralam ben ik erkentelijk voor het commentaar op het eerste concept van deze bijdrage.
[2] In deel 1 van een tweeluik heeft Francis Fukuyama (2011) het kastenstelsel in India kritisch besproken en de kwalijke rol die brahmanen daarbij hebben gepeeld. Interessant om die hoofdstukken uit dat boek op na te lezen.
[3] In Suriname vond de eerste crematie in openlucht pas in 1968 plaats (Choenni, 2004).