Svastika Ramcharan
We reden naar huis. We hadden een lange schooldag achter de rug. De kinderen lagen half slapend op de achterbank. Onvoorstelbaar hoe uitgeput je kan raken van een schooldag. Niet alleen kleutertjes of leerlingen van de basisschool die wat meer ruimte hebben om fysiek actief te zijn tijdens de schooluren, maar ook leerlingen van hogere niveaus zijn uitgeteld na een schooldagje met sommetjes en zinnetjes. Ik moest nog een snelle boodschappenstop maken. Lastig om een tussenstop te maken, terwijl je je wringt door het onrustige verkeer. Je wil het liefst in een keer, zonder halt te houden, thuis zijn. Toch kom je er niet onderuit om de stop te maken. Het idee dat je anders, eenmaal thuis, weer over straat moet, helpt je het moedige besluit te nemen. Voor ik uitstapte, vroeg ik gewoontegetrouw of de kinderen wat nodig hadden. Geen antwoord, waarschijnlijk te moe om te reageren. Vlak voor het portier dichtsloeg, hoorde ik: “zoete stokjes”. Ik keek door het glas van het gesloten raam om er zeker van te zijn dat ik hem had verstaan en las lip het merk dat hij prefereerde. Dat wist ik, als dat merk er niet was, hoefde hij het niet. “Zoete stokjes” is de benaming die hij heeft gegeven aan de zoete variant van de bekende “zoutjes”. Zoete krakelingen die op de verpakking “zoetjes” worden genoemd. Het Sarnami noemt deze populaire snack sew. Een keer dacht ik hem blij te maken met zelfgemaakte “zoete stokjes”. Helaas, hij was me wel dankbaar, maar erg blij was hij niet ermee. Mijn variant was een mislukt experiment van zijn verrukkelijke merk. Ik accepteerde mijn nederlaag en liet het deze keer maar bij één enkele poging. Want tijdens de lock down in de covidtijd had ik de plank meerdere malen mis geslagen bij het uitproberen van croissantjes. Met mijn misbaksels had ik mijn huisgenoten bijna een afkeer van croissant bezorgd. Ik besefte op tijd dat ik de strijd tegen een fabriekssmaak die tot in de perfectie is uitgebalanceerd niet kon winnen. Daarom dacht in dit geval geen haar aan mijn hoofd eraan om weer eens te trachten om een culinaire icoon te evenaren. Ik stapte de winkel binnen en liep regelrecht naar het schap met de “zoete stokjes” om te voorkomen dat ik die zou vergeten. Immers, die stonden niet op mijn lijstje. Mijn hand reikte automatisch naar een pakje, maar hield plots stil.
Op een schap met chips signaleerden mijn ogen een stuk handgeschreven karton met het opschrift: “Niet grabbelen. Is geen grabbelton!” Ik staarde, met mijn uitgestrekte hand, enkele lange seconden naar de tekst. Ik was niet geschokt door de onderstreepte woorden of tienmaal het uitroepteken aan het einde van de woordgroep. De woorden, ook de boodschap, maar vooral de irritatie verpakt in de letters kwamen mij bekend voor. De letters trilden bijna van ingehouden woede. Ik voelde een connectie met de vakkenvuller die dit had geschreven. Dezelfde irritatie heeft ook door mijn aderen gevloeid.
Meerdere malen heb ik deze zin uitgesproken bij het uitleggen van de functie van een klerenkast aan mijn kinderen. Het begint onschuldig: een broek die ze, in plaats van netjes op te hangen, nonchalant over de roede gooien. Een stapel T-shirts die ze naar achteren duwen om ruimte te maken voor iets nieuws. Ze trekken aan een mouw, de hele stapel dondert eruit. Voor je het weet, zijn ze aan het graaien met de plechtige belofte aan zichzelf en de kledingstukken: later leg ik die netjes op hun plek. Terwijl de kleren verward, doch geduldig, wachten op het aanbreken van ‘later’, functioneert de klerenkast als een grabbelton. Ze graaien erop los, frommelen erin terug wat niet van toepassing is op dat moment. De woede begint bij het aanschouwen van de puinhoop, maar verdubbelt snel als je beseft dat het niet alleen de rommel is; het is het totale gebrek aan respect voor de spullen, bovenal voor de persoon die het uiteindelijk mag rechttrekken, voor mij dus. De gedachten die op deze momenten in me opkwamen, zal ook de schrijver van de tekst op het stukje karton zeker gehad hebben. En wel iedere dag. Het kost een behoorlijke mate van irritatie om dergelijke boodschap voor je klanten neer te pennen. Begrijpelijk, als je dag in, dag uit, dezelfde sisyphusarbeid moet verrichten. Enkele malen heb ik met doses geduld hun grabbelton terug getransformeerd naar een goed geordende kledingskast. Maar na steeds het proces van alles eruit halen, sorteren, vouwen, stapels keurig terug zetten, te hebben herhaald, was mijn engelengeduld veranderd in knarsende irritatie. Nauwelijks enkele dagen na elke opruimsessie raast er een tornado en de hele kast wordt een chaos, onvoorstelbaar! Verspilling van kostbare uren van mijn leven. Die krijg ik nooit meer terug. Noch pogingen tot overreding, noch waarschuwingen sorteerden het gewenste effect. Hun hersens bleken even ondoordringbaar als de metalen web die ze gevlochten hadden door steeds hangers op een hoop te smijten. Vaak heb ik interne debatten gevoerd over hoe hen het te doen beseffen. “Zal ik het gewoon allemaal in een vuilniszak proppen? Zal ik alles op de grond laten liggen zodat ze erover struikelen?” Maar de drang naar orde won het van de wraakgevoelens, dus heb ik met diepe zuchten de zoveelste prop gladgestreken en met radicale tegenzin de zoveelste stapel in het gareel teruggeduwd. Tot ik een keer besloot: ik vertik dit nog eens te doen. Ze moeten maar hun kostbare tijd van hun drukke leven uittrekken om hun chaos ordenen. Dat doe ik niet meer voor hen. Het moeten opruimen van de kleding-grabbelton van een ander is een vorm van marteling, en wel een bijzondere. Een die niet in de geschiedenisboeken is genoemd: je staat voor die openstaande kastdeuren en het voelt als een persoonlijke belediging. Alles is erin gesmeten met het blinde vertrouwen dat de zwaartekracht het wel zal oplossen. En daar sta jij dan, de ‘vrijwillige’ archivaris van iemands wanorde. Het is de ultieme test voor je geduld. Want terwijl jij je rug breekt over hun slordigheid, weet je één ding zeker: morgen wordt er weer gegraaid, en begint de hele ellende van voren af aan. Ik heb mezelf gered, hopelijk zal het de vakkenvuller ook gelukken om met een waarschuwende tekst uit de duivelskring van schappen-grabbelton te geraken.