Veranderingen in de hindoecultuur in Nederland (dl. 1)

 Door Bris Mahabier

 1.De hindoecultuur: een wereld van fascinerende diversiteit

De onderhavige tekst heeft in geen geval de intentie om een volledig  overzicht te geven van alle veranderingen (parivartans) in de hindoecultuur in Suriname en Nederland. Evenmin geeft het een overzicht in hoofdlijnen van het hindoeïsme als aangeleerde levenswijze in praktijk en leer. Het hindoeïsme als religie, of in de ruime betekenis van dharma, is een substantieel deel van de Hindoestaanse cultuur. De hindoe- en Hindoestaanse cultuur worden gekenmerkt door een enorme verscheidenheid en tegenstellingen die in geen van de vroegere en huidige grote culturen en wereldgodsdiensten te vinden is. Prof. Winand Callewaert, een Leuvense indoloog, noemde terecht de hindoereligie ‘een betoverende verscheidenheid’. Verschillende tegenstrijdige opvattingen en denkrichtingen, die soms haaks op elkaar stonden of nog staan, of elkaar tegenspreken, corrigeren en aanvullen, hebben elk in een tijdsbestek van ongeveer 3.500 jaar een plekje in de hindoecultuur kunnen vinden. Dit was het gevolg van vele, langdurige publieke dialogen en debatten, maar soms zelfs van strijd; evenzo van dominantie, integratie, syncretisme en zelfs grootschalige biologische assimilatie op het Indiase subcontinent.  Bepaalde principes, ideeën, concepten, mythen en aforismen zijn niet minder dan 3.000 jaar oud.  Nederlands-Hindoestaanse intellectuelen die soms suggereren, dat de totale hindoecultuur veranderd zou zijn, of in verandering is, hebben het gedeeltelijk mis! De tekstuele inhoud van o.a. de Rig Veda, de Upanishads, de Valmiki Ramayan en de Bhagavat Gita is zeker niet veranderd of aangepast. Het is niet overdreven om te stellen, dat er in Nederland sprake is van een opvallende vreedzame co-existentie van  zelfs scherpe tegenstellingen, bijv. tussen sanātan dharmi’s³, de aanhangers van de eeuwige dharma die ook beelden van goden en godinnen vereren (allen zijn manifestaties van die enige God, zeggen deze hindoes), en de reformistische ārya samāji nirākāri’s (Godzonder vorm of gedaante), maar ook van agnosticisme, atheïsme en theïsme in velerlei varianten. De inrichting van het heilige deel van de vier grote mandirs (tempels) van de Haagse sanātan dharmi hindoes is kleurrijk en veelvormig. Deze stralen, vooral bij avondverlichting, indrukwekkende pracht en praal uit. De verering van hindoegoden kan zeer gedetailleerd zijn en zelfs uit alledaagse handelingen bestaan. De inrichting van de grote mandir van Arya Samáj Nederland (ASAN) in Den Haag heeft geen sanctuarium met daarop beelden en ook geen ingelijste reproducties van goden en godinnen aan de muur hangen. De árya hindoes geloven in AUM, een Absolute Kracht, zonder kleur, vorm, geslacht en familie! Hun mandirs zijn zakelijk, enigszins monotoon ingericht en kennen geen bloemenoffers. In alle hindoe-mandirs reciteren pandits Sanskriet-teksten die minstens 2.500 jaar oud zijn. Opgemerkt dient te worden, dat de weinige Haags-Hindoestaanse agnosten en atheïsten zich veilig voelen in de mandirs van beide hindoestromingen, ook in die van de veel  kleinere kabirpanthi-gemeenschap. Zij lopen geen risico om slachtoffers van geloofsfanatisme en -haat te worden!

2.Hindoecultuur: verandering en revival

Er is in dit artikel, zoals hierboven vermeld, slechts een benoeming of schetsmatige beschrijving van bepaalde veranderingen beoogd. En die zijn min of meer subjectief gekozen. Bepaalde delen van de hindoereligie – het leeuwendeel van de Brits-Indische contractarbeiders kwam uit Uttar Pradesh in Noord-India en was ongeschoold –  zijn relatief snel veranderd, of op de achtergrond of zelfs in vergetelheid geraakt. Sommige hindoes, bijv. bepaalde pandits en andere cultuurliefhebbers, betreuren deze verandering. In deze ontwikkeling zien zij cultuurverlies. Door behoudende enkelingen wordt dit verlies zonder aarzeling in de schoenen van jongere  hindoes geschoven. Zij gaan hierbij voorbij aan de overheersende sociaal-culturele invloed die er van de Nederlandse samenleving uitgaat. De westerse individuele vrijheid en de rationele benadering van culturele verschijnselen en maatschappelijke verhoudingen oefenen invloed uit. Cultuurelementen die geen betekenis meer hebben in onze grootstedelijke samenleving in Nederland zullen in de regel verschrompelen. Weer anderen zijn van mening, dat cultuurelementen die niet in onze moderne tijd passen, vanzelfsprekend uit het beeld zullen geraken. Dit gebeurt ook in andere samenlevingen. Een bekend voorbeeld hiervan is het in ongebruik raken van de dhoti, de traditionele lendendoek van hindoemannen. Hindoestaanse moslims droegen geen dhoti!. Ook delen van de Indiase middenklasse, vooral de studerende jongeren, vertonen o.a. in hun gedrag, taalgebruik (Hinglish = Hindi met veel Engelse woorden), uiterlijke verzorging en kleding invloeden van verwestersing.  Deze veranderingen zijn in Suriname in het verleden – al vanaf 1873 – o.a. onder druk/invloed van migratie, lokale omstandigheden, interreligieus contact: kritiek van zending en missie en het koloniale beleid tot stand gekomen. Hierbij heeft de hervormende ārya samāji-stroming vanaf 1911 als  katalysator gewerkt. Ook de invloed van de Euro-Amerikaanse moderniteit via o.a. het onderwijs dient niet onderschat te worden. Bepaalde families die tot het christendom overgingen, hebben al vroeg in Suriname de eerste Hindoestaanse intellectuelen voortgebracht. Een direct gevolg van de urbanisatie was, dat Hindoestaanse ouderen en jongeren in contact kwamen met westerse, creoolse culturele uitingen. Het onderwijs: vanaf voorschoolse opvang,  groep 1 van de basisschool tot en met de universiteit, de commerciële reclames, het vertoeven in de publieke ruimte, de sociale en massamedia beïnvloeden constant bepaalde delen van de Hindoestaanse cultuur in Nederland. Hindoegezinnen en -tempels zijn geen ommuurde culturele eilandjes! Er is zeker sprake van een voortdurende culturele beïnvloeding. In het algemeen zullen de zwakke cultuurelementen het onderspit delven. Dit beeld is wereldwijd te zien! Parallel aan deze veranderingen zien we in de religie van sanātan dharmi’s, waartoe minstens driekwart van de hindoes in Nederland behoren, een zekere mate van herleving van bepaalde delen van de leer en praktijk die in ongebruik waren geraakt. Voorbeelden van deze revival zijn Nawrātan of Durgā Pujā (dit werd in Suriname in de jaren vijftig nauwelijks gevierd), Karwā Chauth, pelgrimage naar heiligdommen in Noord-India, een vorm van reiniging (shuddhi) door panchagavya (= het innemen van een mengsel van 5 producten van een melkkoe), deelname aan het Kumbh Melā-festival in Prayāga in India, Rath Yātrā, Hanumān Jayanti, yoga-cursussen en meditatie bijv. tijdens een rouwbijeenkomst.

  1. Geen vier ashramas, maar twee

In de tijd van de Rig Veda werd het leven van de agrarisch arische mens gedomineerd door het correct uitvoeren van rituelen t.g.v. devata’s die in bovenaardse sferen ‘verbleven’. Toen probeerde de religieuze mens d.m.v. Sanskriet-mantra’s en offers met de bovennatuurlijke Kracht, die met verschillende namen werd aangeduid, te communiceren. De gemeenschap van toen (1.500 BC) was kennelijk hoofdzakelijk op zoek naar materiële voorspoed, een lang leven,  nageslacht (vooral zonen), overwinningen op… en beteugeling van grillige natuurkrachten. In de oude hindoeïstische levensbeschouwing, o.a. in enkele Upanishads (800-500 BC), is er sprake van vier op elkaar volgende levensfasen, de catur-āshramas. Deze levensordening begint met de geboorte van een mens en eindigt met zijn dood. In de loop der tijd waren deze vier levensfasen voor de drie ‘hogere’ dwija–jāti’s, de tweemaal geborenen, van belang. Eigenlijk slechts voor de leden van de jāti’s die tot de twee hoogste varna’s (standen) behoorden. De catur-āshramas zijn in enkele dharmashāstrā’s beschreven. Deze handboeken handelen o.a. over moraal, gewoonten, normen, jāti-plichten, huwelijk, geboden en verboden.

Manu Maharaj schreef zijn Manaw-dharma-shāstra, ook wel Manu-smriti genoemd ongeveer 500 jaar vóór Christus. Dit geschrift is toonaangevend gebleven en het wordt nog veel aangehaald. Ook Swami Dayanand Saraswati (1824-1883), de grote Indiase hervormer uit de tweede helft van de 19e eeuw,  citeert Manu Maharaj tientallen keren in zijn hoofdwerk Satyarth Prakash. In toekenning van rechten komen vrouwen en de shudra-jāti’s in dit  ‘wetboek’ er bekaaid van af. (Over de positie van de vrouw en de shudra-jāti’s in de hindoecultuur zal in een ander artikel aandacht besteed worden.) De caturāshrama-indeling telt de volgende vier levensfasen: brahmacārya, grihastha, vānaprastha en sanniyāsh. Tijdens de brahmachārya, de leerperiode, was de hindoejongeling volledig afhankelijk van de traditionele gurukul en zijn leesmeester, de guru. Deze instelling voor jongeren met jarenlange inwoning bij een guru (leraar) heeft in Suriname niet bestaan. Hindoekinderen in Suriname bezochten – vooral na 1945 massaal westerse scholen. Ook in het huidige India is de rol van gurukuls zeer beperkt. Na de brahmachārya volgt idealiter de grihastha, de  gezinsfase. In deze fase staan kám (liefde), vivāh-sanskār (huwelijk), voortplanting: kinderen krijgen – het liefst vele zonen – en de economische opbouw (artha als levensdoel), centraal. De voorkeur voor ‘zonen’ wordt door ‘heilige’ teksten gesanctioneerd, bv. een huwelijksmantra die ook in Nederland wordt gebruikt. In deze mantra komt het woordje putra voor. Enkele pandits van de ārya samāj-stroming interpreteren dit Sanskrietwoord ruim: putra zou niet alleen zonen, maar ook dochters aanduiden. De  wens van vele zonen is inherent aan een agrarische samenleving van vroeger.  De twee laatste levensfasen zijn de vānaprastha en sanniyāsh. De bejaarde grootouders trekken zich langzamerhand terug uit het actieve sociale leven. Zij dienen zich sociaal en materieel te onthechten en zich voor te bereiden op het einde van hun leven. Deze voorgeschreven traditionele regels van préchristelijke oorsprong kunnen in  onze tijd in Nederland niet toegepast worden. Ik ken geen hindoe die  de wens te kennen heeft gegeven om zich hieraan te willen houden. Integendeel, vele hindoebejaarden vliegen regelmatig van het ene continent naar het andere. Niet als sanniyāsi’s (verzakers), maar als toeristen met of zonder begeleiding. Hiervoor zijn er praktische redenen aan te geven, maar deze twee concepten hebben in het denken van Nederlandse  hindoes hun betekenis verloren. Sommigen zien in de pensionering de vānaprastha.

  1. Vier purushartha’s (levensdoelen)

Purusha is een van de oudste begrippen in het hindoeïsme. Volgens de Rig Veda zou Purusha een kosmisch wezen zijn, dat verwijst naar de schepping van al bestaande. De Sanskrietterm purusha betekent man, persoon. In de hindoelevensbeschouwing gaat men uit van vier levensdoelen. Deze worden met de Sanskrietterm purushartha aangeduid. Hiertoe behoren: kāma (liefde, plezier en seks), artha (het vergaren van materieel succes, dus economisch gewin), dharma (voorgeschreven plichten) en als vierde doel het bereiken van moksha, de bevrijding uit de cyclus van geboorten, de  wedergeboorte. De eerste drie levensdoelen hebben een aards karakter, die zijn gewone doelen voor het leven hier en nu. Moksha, het laatste doel, wordt als bijzonder beschouwd. De cultuur van de hindoes heeft in de tweede eeuw na Chr. de Kāma Sutra, een complete handleiding voor liefde en seks voor de mens van toen voortgebracht. Er zijn verschillende andere werken op dit gebied bekend, o.a.de  Kokshāstra en de Anand Ranga. Delen van de inhoud van deze klassieke werken zijn ook voor onze tijd niet zonder betekenis. Dharma is een complex hindoebegrip. Er zijn verschillende, elkaar aanvullende interpretaties. Hier wordt het opgevat als correct gedrag; met het accent op plichten voor een mens op basis van zijn leeftijd, geslacht, jāti, maatschappelijke positie en burgerlijke staat. Niet alle normen, die ruim 2.500 jaar geleden geformuleerd zijn, kunnen in onze tijd en vooral in de Nederlandse samenleving van toepassing zijn. Het streven naar kritiekloze aanvaarding en bejubeling van oude normen kan tot wrijvingen, frustraties en conflicten in eigen familie en tussen families en generaties tot gevolg hebben. Pandits die de westerse cultuur en normen niet kennen, kunnen met hun opmerkingen in hun preken bij sommige toehoorders ‘enige’ irritatie veroorzaken. De (gelovige) hindoe beschouwt moksha als een  superieur levensdoel. In mijn sociale omgeving wordt door leken hierover zelden of nooit gepraat. Voor een Hindoestaan, die het bestaan van God afwijst, is moksha als levensdoel van generlei waarde. Een niet-gelovige, die zich niet onderwerpt aan de wil van een onzichtbare hemelse Kracht, of die God in welke vorm of van welk geslacht dan ook, niet vereert met zoetigheden, bloemen of gezongen mantra’s in een niet-verstaanbare taal, valt er – in het Westen – best te leven!

5.Vroeger16 sanskārs, nu slechts drie of …

De hervormer en Sanskritist Swami Dayanand Saraswati (1824-1883) heeft in twee van zijn boeken, de Satyarth Prakash (1875, 1883) en de  Sanskar Vidhi (1877) en in zijn redevoeringen het belang van de 16 sanskārs van hindoes geaccentueerd. Samskārs in het Sanskriet of sanskārs in het Hindi staan voor ceremoniën of overgangsrituelen, beginnend met de conceptie en eindigend met de dood. Deze hebben tot doel om de gezonde ontwikkeling van de mens te stimuleren. Vanaf de post-Vedische tijd waren de sanskārs hoofdzakelijk voor jāti’s, die tot de twee hogere varna’s (= kleur, klassen en standen) behoorden, bedoeld. In de visie van Sami Dayanand waren de 16 sanskārs voor alle hindoes, die de inhoud van de vier Veda’s aanvaarden, geschreven. Deze opvatting stuitte op heftige weerstand van bevoorrechte en machtige brahmaanse geleerden in India. Sommige van deze pandits waren zelfs tegen de afschaffing van sati: de publieke verbranding van weduwen op de brandstapel van een overleden echtgenoot en uitsluiting van de  shudra’s, onaanraakbaren en de adivashis’s (tribale stammen).

Bijna alle (!) Haagse hindoes, ook de árya samáji hindoes, houden zich niet aan de voorgeschreven 16 sanskārs; stellig niet in onze familie. Evenmin de aanverwante, vroegere árya samáji pandits (uitvoerders van rituelen) in Suriname. De 16 sanskārs worden wel in toespraken van pandits (uitvoerders van rituelen)  en bestuurders van árya samáji-verenigingen aangehaald. Ook sanátani pandits doen dit. In Nederland zijn er drie sanskārs waaraan bijna alle hindoes zich houden, nl. de nāmkaran, sommige ārya samāji pandits combineren deze formeel met chudākarma of een andere sanskār), de vivāh-sanskār (het hindoehuwelijk) en de antyesthi-sanskār na het overlijden. Sommigen doen nog hāvan bij in gebruik name van een nieuwe woonruimte. De vivāh– en de antyesthi-sanskār zijn bepalend voor de culturele identiteit van de hindoes, vooral in Nederland. In sommige opzichten zijn árya samáji pandits liberaal!

  1. Crematie zonder religieuze rituelen

De uitvoering van de antyesthi–sanskār, het laatste ritueel bij de dood van een hindoe, laat zowel in Suriname als in Nederland, opvallende ‘veranderingen’ bij enkelingen, allen hoogopgeleid, zien. (Lees over deze en andere veranderingen het goed gedocumenteerde artikel van dr. Surrendra Santokhi op www.Sarnamihuis de editie van o.a. november 2026.)

Net vóór het uitbreken van de coronapandemie overleed in Kwatta (Wanica, Suriname) onverwacht een jonge chirurg. Hij was in Nederland opgeleid en  had jarenlang in het Haagse Rode Kruisziekenhuis gewerkt. Deze chirurg werd zonder hindoerituelen gecremeerd! Dat was in onze ogen bijzonder. Er is  geen informatie beschikbaar over de reactie van familie, vrienden en buurtgenoten van deze medicus over zijn ‘afwijkende’ crematie. In november 2017 overleed – ook veel te jong – K.N. ‘Alma’ Mahawatkhan (1954-2017, bedrijfssocioloog) volkomen onverwacht in Berkel en Rodenrijs. Zij had na lange en vele gesprekken met haar echtgenoot Naushad Boedhoe het agnosticisme als levensovertuiging geaccepteerd. Alma wilde beslist geen graf achterlaten. Zij werd zonder religieuze handelingen gecremeerd. Dit was voor sommige van haar verwanten en vrienden een onverwachte ervaring, voor enkelen zelfs onvoorstelbaar. Ook wij verloren een integere geestverwant, een moedige medestrijder en bovenal vriendin.  In maart 2023 overleed – eveneens onverwacht – onze vriend Djiet Baldewsingh (1948-2023, huisarts, Sarnámi dichter en landbouwer) na een operatie in het Academisch Ziekenhuis in Paramaribo. De huisarts Baldewsingh was een bekende persoon in zijn woonplaats Uitkijk. Op de oever, in een buitenbocht van de slingerende Saramaccarivier werd Djiet (schrijversnaam Jit Narain)  zonder rituelen, pandits, heilige mantra’s, troostrijke gebeden (prāthanā’s) en bhajans, gecremeerd. Deze procedure was volledig  op zijn levensovertuiging en -wandel gebaseerd. Immers, Djiet was een atheïst! Naushad R. Boedhoe, Krishna Autar, Surender Kisoentewari en Bris Mahabier hebben ook voor een overeenkomstige niet-religieuze crematieprocedure gekozen. Ook wij geloven niet in het bestaan van een God! Naushad Boedhoe stelt het kort en bondig als volgt. Bestaat er een god/God? ‘Dat weet ik niet.’ Geloof je in een god/God? ‘Neen!’