Openluchtcrematie in Nederland (deel 2)

Reacties zijn gesloten

Devanand Mahabir

Mijn herinneringen

In het eerste deel heb ik beschreven waarom ik de wens heb om in Nederland in de open lucht gecremeerd te worden. Die wens is niet zomaar ontstaan: die vindt haar oorsprong in mijn jeugd, in mijn familie en in herinneringen en ervaringen die mijn kijk op de dood, rouw en afscheid hebben gevormd. In dit deel neem ik u mee terug naar die herinneringen.

Eerste ervaringen met afscheid in Suriname

Wanneer ik terugdenk aan mijn jeugd in Suriname, besef ik hoe vanzelfsprekend de dood eigenlijk deel uitmaakte van het leven. Niet op een angstige of sombere manier, maar gewoon als iets wat bij het bestaan hoorde. Leven en dood stonden niet ver van elkaar af. Als kind speelde ik op het erf waar kippen, katten, honden en koeien werden begraven. Dat was gewoon ons erf, de plek waar wij speelden en opgroeiden. Wanneer we verder de landbouwgronden opgingen, lagen daar ook onze voorouders begraven, vaak aan het einde van een perceel of aan de rand van het dorp. Als kind dacht ik daar natuurlijk niet over na zoals ik dat vandaag doe. Wij speelden, renden en maakten plezier. Toch moet het iets met mij hebben gedaan. De mensen en dieren die er niet meer waren, waren niet helemaal uit onze omgeving verdwenen. Zij bleven dichtbij, letterlijk in dezelfde aarde waarop wij verder leefden. Mijn eerste bewuste herinneringen aan overlijden gaan terug tot ongeveer mijn zesde levensjaar. Ik herinner mij niet meer ieder detail, maar sommige beelden en vooral bepaalde gevoelens blijven een leven lang bij je. Als kind begrijp je nog niet volledig wat de dood betekent, maar je voelt wel dat er iets is veranderd. Je ziet het aan de gezichten van de volwassenen, je hoort het aan de manier waarop mensen zachter praten en je voelt het aan de stilte die ineens een andere betekenis krijgt. Een paar jaar later kwam mijn vader mij met de brommer ophalen van school. We gingen afscheid nemen van mijn par-áji, de moeder van mijn par-ájá (grootvader). Ook van dat moment herinner ik mij vooral het gevoel. Er hoefden niet veel woorden gesproken te worden, soms vertelt stilte meer dan mensen met woorden kunnen zeggen. Later overleed ook de vader van mijn náná. Hij werd gecremeerd. Mijn broer en ik moesten thuisblijven om het huis te bewaken en konden daardoor de crematie niet meemaken. Als kind accepteer je zoiets omdat volwassenen zeggen dat het zo moet, maar later ga je daar anders over nadenken. Ik hoorde vervolgens steeds meer verhalen over crematie en ook over de rol die Kwatta heeft gespeeld bij de openluchtcrematie in Suriname. Dat verhaal verdient zijn eigen plaats en daar zal ik in een volgend deel op terugkomen.

Radioberichten en rouwliederen

Maar mijn herinneringen aan dood en afscheid bestaan niet alleen uit de momenten waarop iemand in de familie overleed. Er was nog iets wat heel kenmerkend was voor mijn jeugd: de radio. In die tijd bestonden er geen mobiele telefoons, WhatsApp of sociale media. Wanneer iemand overleed, kon je niet met één druk op de knop honderden mensen bereiken. De radio had daarom een belangrijke functie binnen de gemeenschap. Via onder andere Radio Rapar en Radika werden overlijdensberichten omgeroepen. Ik kan mij die aankondigingen nog goed herinneren. Ze hadden een bepaalde opbouw en een heel herkenbare toon. Vaak begon het bericht met een lange opsomming van namen en familiebetrekkingen. Er werd verteld wie was overleden en bij welke familie de persoon hoorde. Als kind luisterde ik daar zo aandachtig naar dat ik de manier waarop de omroeper sprak soms zelf probeerde na te doen.

Ek átá ek játá ye jag ká hai bhewyár

Mritiyon yá maut ká sámacár sunne ke liyé dhiyá di-ji-yé

Sunnewálo se nivedan hai ki yah sámacár aur kha-ba-ron ko auro tak pahuncáne ko

Tut gayi hai málá 

Moti bikhar cale

Do din rah kar sáth jáne

Kidhar cale

Pinjare Ke Panchi ReTerá Dard Na Jáane Kói

Maar deze berichten waren veel meer dan alleen de mededeling dat iemand was overleden. De radio vertelde ook waar en wanneer het afscheid en de crematie zouden plaatsvinden. Ook werd bekendgemaakt dat er bussen beschikbaar waren om mensen naar het crematieoord te vervoeren. Er werd verteld waar de bussen zouden vertrekken, zodat mensen gezamenlijk naar de crematie konden gaan en na afloop ook weer teruggebracht konden worden. Voor veel mensen was die informatie ontzettend belangrijk. Niet iedereen beschikte over een auto of ander eigen vervoer. Vooral voor ouderen en mensen die verder weg woonden, kon zo’n bus het verschil betekenen tussen wel of niet aanwezig kunnen zijn bij het laatste afscheid. Wanneer ik daar nu aan terugdenk, zie ik daarin veel meer dan alleen een praktische oplossing. Het laat zien hoe belangrijk het werd gevonden dat mensen daadwerkelijk de gelegenheid kregen om afscheid te nemen. Aan het einde van zo’n overlijdensbericht kwam bijna altijd het verzoek om het droevige nieuws verder te verspreiden onder familieleden, vrienden en bekenden van de overledene. Niet iedereen had immers een radio en niet iedereen zat precies op het moment van de uitzending te luisteren. Wie het bericht hoorde, vertelde het verder. Zo reisde een overlijdensbericht van de radio naar de mensen en vervolgens van mens tot mens door de gemeenschap. Wat ik misschien nog sterker met die tijd associeer, is de muziek. Tussen de overlijdensberichten door werden rouwliederen uit Bollywood gedraaid. De droevige melodieën, de stemmen van de zangers en daarna weer de ernstige stem van de omroeper staan diep in mijn geheugen gegrift. Als kind begreep ik misschien niet ieder woord van zo’n lied, maar de emotie hoefde niemand uit te leggen – verdriet heeft soms geen vertaling nodig. Je hoort het in een stem en je voelt het in een melodie. Achteraf besef ik dat de radio toen veel meer was dan een middel om informatie door te geven. De radio verbond mensen. Een familie had iemand verloren, maar door het bericht werd een veel grotere gemeenschap daarvan op de hoogte gebracht. Mensen hoorden wanneer zij afscheid konden nemen, hoe zij bij het crematieoord konden komen en werden gevraagd het nieuws verder te verspreiden. Zelfs de muziek droeg bij aan het gezamenlijke gevoel van rouw. Misschien heb ik daar, zonder het als kind te beseffen, al iets geleerd wat later heel belangrijk voor mij zou worden: afscheid nemen doe je niet alleen.

Afscheid op afstand

Hoe belangrijk de mogelijkheid om afscheid te nemen werkelijk is, heb ik ook binnen mijn eigen familie gezien. Mijn moeder kon op een bepaald moment niet met spoed naar Suriname reizen toen daar iemand was overleden die haar dierbaar was. De afstand tussen Nederland en Suriname werd op zo’n moment ineens pijnlijk voelbaar. Duizenden kilometers en een oceaan lagen tussen haar en degene van wie zij nog één keer afscheid wilde nemen. Er was geen mogelijkheid om er op tijd naartoe te gaan, maar er was wel een telefoon. Mijn moeder belde naar Suriname. Aan de andere kant werd de telefoon bij het oor van de overledene gehouden, zodat mijn moeder toch kon praten en afscheid kon nemen. Of de overledene haar nog kon horen, weet niemand. Misschien doet die vraag er op zo’n moment zelfs niet toe. Mijn moeder kon in ieder geval nog spreken. Ze kon zeggen wat zij wilde zeggen. Woorden van liefde, verdriet en afscheid konden alsnog de afstand tussen Nederland en Suriname overbruggen. Dat beeld is mij altijd bijgebleven: aan de ene kant van de oceaan mijn moeder met een telefoon aan haar oor. Aan de andere kant een dierbare die niet meer kon antwoorden. En daartussen duizenden kilometers afstand. Toch waren zij op dat ene moment weer even met elkaar verbonden. Misschien is dat uiteindelijk waar afscheid om draait. Niet alleen om degene die vertrekt, maar ook om degene die achterblijft. Een mens heeft soms behoefte aan dat laatste woord, die laatste aanraking of gewoon de mogelijkheid om nog één keer te zeggen: ik ben hier, ik denk aan u en ik laat u met liefde gaan. Toen ik op zeventienjarige leeftijd in Nederland voor het eerst een crematie in een gesloten systeem meemaakte, ervoer ik dat heel anders. Voor mij voelde het afstandelijk. De kist verdween uit het zicht en ik had het gevoel dat de overledene ineens moest verdwijnen. Alles verliep ordelijk en respectvol, maar ik miste iets. Ik miste de warmte en de openheid. Ook het huilen, roepen of praten tegen de overledene, zoals ik dat uit andere situaties kende, was veel minder aanwezig. De emoties leken meer beheerst te moeten worden. Naarmate ik in Nederland meer uitvaarten meemaakte, kwam het verschil steeds sterker bij mij binnen. Ook hier kunnen uitvaarten bijzonder mooi, liefdevol en waardig zijn. Toch ervaar ik vaak een bepaalde tijdsdruk. Mensen komen binnen, luisteren naar toespraken, nemen afscheid, lopen langs de kist, leggen bloemen neer en enige tijd later gaat iedereen weer naar huis. Voor anderen kan die rust en structuur juist prettig zijn. Voor mij voelt het soms alsof het afscheid al voorbij is terwijl mijn gevoel nog niet zover is.

Afscheid nemen doe je niet alleen

Wat ik ook mis, is de warmte van het samenzijn zoals ik die uit Suriname ken. Bij een overlijden kwam daar een gemeenschap rondom het gezin te staan. Familie, buren, vrienden en kennissen hielpen mee. Er werd een tent op het erf geplaatst waar mensen, vooral in de avonduren, konden samenkomen. Mensen kwamen om te condoleren, maar bleven ook zitten. Er werd gepraat over degene die was overleden. Er werd gehuild, maar er werden ook mooie herinneringen opgehaald en soms werd er zelfs gelachen om gebeurtenissen uit het leven van de overledene. Verdriet en liefde mochten naast elkaar bestaan.

Vanaf de dag van overlijden tot aan de crematie werd in het huis van de overledene geen vuur aangestoken om te koken. Familie en buren zorgden voor het eten. Daardoor hoefde het gezin zich niet bezig te houden met die dagelijkse zorg. Anderen namen die verantwoordelijkheid tijdelijk over, zodat de naaste familie de ruimte kreeg om te rouwen en afscheid te nemen. Dat heeft mij altijd geraakt. Mensen hoefden niet voortdurend te vragen wat ze konden doen. Ze waren er. Ze hielpen. Ze brachten eten. Ze ontvingen bezoekers. Ze luisterden. En ze droegen een stukje van het verdriet mee. Tijdens die dagen werd er ook veel gesproken. Ouderen, familieleden, pandits en mensen die kennis hadden van het geloof vertelden over wat wel en niet mocht, welke rituelen uitgevoerd moesten worden en waarom bepaalde gebruiken bestonden. Juist die gesprekken begonnen mij steeds meer te interesseren. Waarom doen wij wat wij doen? Waarom moet een bepaald ritueel op een bepaalde manier worden uitgevoerd? Wat komt werkelijk uit het geloof en wat is in de loop van generaties traditie geworden? En misschien nog belangrijker: waar kunnen wij de antwoorden op zulke vragen vinden? Die nieuwsgierigheid is uiteindelijk een van de redenen geweest waarom ik aan de Universiteit van Amsterdam hindoeïsme ben gaan studeren. Ik wilde niet alleen weten wat wel of niet mocht, ik wilde vooral begrijpen waarom. Ik wilde zoeken naar de betekenis achter gebruiken die ik mijn hele leven om mij heen had gezien.

Eén met de elementen: afscheid met al je zintuigen

Later ben ik meerdere keren teruggegaan naar Suriname en heb ik daar ook openluchtcrematies meegemaakt. Juist daar begon ik steeds beter te begrijpen waarom deze manier van afscheid nemen mij zo diep raakt. Een openluchtcrematie beleef je met al je zintuigen. Je ziet het vuur. Je hoort het hout branden en knetteren. Je voelt de warmte van de vlammen, soms zelfs op enige afstand. Je ruikt de rook en het brandende hout. En je ziet hoe het vuur langzaam zijn werk doet. Dat kan confronterend zijn. Het is niet verborgen achter een muur of een gesloten deur. Je staat erbij. Je weet wat er gebeurt. Het afscheid vindt vlak voor je ogen plaats. Maar juist daarin ervaar ik iets wat moeilijk in woorden is uit te leggen. Het vuur heeft warmte, maar tegelijkertijd is er het verdriet. Mensen staan bij elkaar. Sommigen huilen. Anderen kijken zwijgend naar de vlammen. Er wordt gebeden en er worden rituelen uitgevoerd. Soms wordt er gesproken tegen degene die is overleden. Iedereen beleeft dat moment op zijn eigen manier, maar tegelijkertijd beleef je het samen. Voor mij voelde het nooit alsof iemand zomaar verdween. Ik zag het eerder als een overgang. Misschien komt dat doordat vuur binnen de hindoeïstische beleving zoveel meer betekent dan alleen verbranding. Maar zelfs los van alle religieuze uitleg doet het vuur iets met mij. Je staat daar en beseft hoe tijdelijk het lichaam eigenlijk is. Wat jarenlang een mens van vlees en bloed was, wat liep, werkte, lachte, huilde, liefhad en anderen vasthield, wordt uiteindelijk teruggegeven aan de elementen. Dat maakt een mens klein. Maar vreemd genoeg geeft het mij ook rust. Door de jaren heen ben ik vaker teruggekeerd naar Suriname en heb ik opnieuw crematies meegemaakt. Iedere keer opnieuw stond ik bij het vuur. Iedere keer hoorde ik het knetterende hout, voelde ik de warmte en zag ik de vlammen omhoogkomen. En iedere keer kwam dezelfde gedachte bij mij terug: ‘Zo zou ik zelf afscheid willen nemen van deze wereld.’ Niet achter een gesloten deur. Niet doordat mijn lichaam op een voor mij onzichtbare plaats verdwijnt. Maar in de open lucht, omringd door mensen die mij dierbaar zijn, met het vuur zichtbaar aanwezig als onderdeel van mijn laatste reis.

Een passend einde aan mijn levensverhaal

Wanneer ik nu terugkijk, zie ik hoe al mijn herinneringen met elkaar verbonden zijn. Het erf waarop wij als kinderen speelden. De grond waarin dieren en voorouders hun laatste rustplaats hadden gevonden. Mijn vader die mij op de brommer kwam halen om afscheid te nemen. Mijn moeder die vanuit Nederland via een telefoon haar laatste woorden sprak terwijl iemand in Suriname de telefoon bij het oor van een overledene hield. De stem van de radio die een overlijden bekendmaakte. De namen van families die werden opgenoemd. Het verzoek om het droevige bericht verder te vertellen. De bussen die mensen naar het crematieoord en weer naar huis brachten. De Bollywood-rouwliederen. De tent op het erf. Het eten dat door anderen werd verzorgd. En uiteindelijk het vuur zelf: de vlammen, de warmte, de rook en het geluid van brandend hout. Dit lijken misschien allemaal losse herinneringen, maar voor mij vormen zij samen één verhaal: het verhaal van hoe ik heb leren omgaan met de dood en afscheid nemen. Daarom begrijp ik nu beter waarom mijn wens om in Nederland in de open lucht gecremeerd te worden zo diep in mij zit. Die wens komt niet alleen voort uit mijn religieuze overtuiging. Zij heeft te maken met mijn jeugd, mijn afkomst, mijn familie, mijn ervaringen en met de manier waarop ik heb geleerd dat een mens niet alleen leeft en ook niet alleen afscheid hoeft te nemen. Mijn wens is niet op één bepaalde dag ontstaan. Zij is langzaam met mij meegegroeid. Misschien begon zij toen ik als kind over dat erf liep. Misschien tijdens die rit achterop de brommer bij mijn vader. Misschien terwijl ik naar de overlijdensberichten en de droevige Bollywood-liederen op de radio luisterde. Of misschien werd het mij pas werkelijk duidelijk toen ik jaren later opnieuw in Suriname stond, de warmte van het vuur op mijn lichaam voelde en naar het knetterende hout luisterde. Daar, bij die vlammen, kwam telkens dezelfde gedachte terug: dit is de manier waarop ik ooit deze wereld wil verlaten. Niet omdat ik de dood verlang, maar omdat ik, wanneer mijn leven ooit voltooid is, afscheid wil nemen op een manier die past bij mijn levensloop en voor mij verbonden is met mijn geloof, mijn afkomst, mijn herinneringen en mijn gevoel van thuiskomen. Juist daarom is mijn wens om in Nederland in de open lucht gecremeerd te worden voor mij zoveel meer dan alleen een keuze voor een bepaalde vorm van crematie. Het is een deel van wie ik ben.

Volgende maand in deel 3

In het volgende deel  van deze serie verlaat ik mijn persoonlijke herinneringen en kijk ik verder dan mijn eigen ervaringen. Ik ga op zoek naar landen waar openluchtcrematie vandaag de dag is toegestaan en naar de weg die mensen daar hebben moeten afleggen om deze vorm van afscheid mogelijk te maken. Daarbij wil ik onder andere terugkijken naar Suriname, want ook daar is openluchtcrematie niet vanzelfsprekend mogelijk geworden. Onze voorouders hebben ervoor moeten strijden, onderhandelen en opkomen voor hun religieuze en culturele gebruiken binnen een samenleving waarin christelijke normen lange tijd een grote invloed hadden en waarin de wetgeving sterk was gevormd door het Nederlandse recht. Die geschiedenis is voor mij belangrijk, juist omdat zij laat zien dat veranderingen die vandaag vanzelfsprekend lijken, ooit begonnen zijn bij mensen die de moed hadden om een bestaande situatie ter discussie te stellen.  In deel 3 wil ik daarom niet alleen kijken naar wat er elders in de wereld mogelijk is, maar vooral naar de vraag hoe verandering tot stand komt. Welke juridische, religieuze en maatschappelijke hindernissen moesten worden overwonnen? Welke argumenten hebben uiteindelijk deuren geopend? En wat kan Nederland daarvan leren? Ook zal ik proberen de weg te schetsen die in Nederland nog bewandeld moet worden om openluchtcrematie mogelijk te maken. Misschien is die weg lang. Misschien zullen er bezwaren en obstakels zijn. Maar de geschiedenis van onze voorouders in Suriname leert mij in ieder geval één ding: wat op een bepaald moment onmogelijk lijkt, hoeft niet voor altijd onmogelijk te blijven.