Openluchtcrematies wereldwijd

Openluchtcrematies wereldwijd

Devanand Mahabier

In deel 3 van deze serie verlaat ik mijn persoonlijke herinneringen en kijk ik verder dan mijn eigen ervaringen. Ik ga samen met mevrouw P. van der Wal op zoek naar landen waar openluchtcrematie vandaag de dag is toegestaan en naar de weg die mensen daar hebben moeten afleggen om deze vorm van afscheid mogelijk te maken. Ik wil daarbij niet alleen kijken naar wat er elders in de wereld mogelijk is, maar vooral naar de vraag hoe verandering tot stand komt. Welke juridische, religieuze en maatschappelijke hindernissen moesten worden overwonnen? Welke argumenten hebben uiteindelijk deuren geopend? En wat kan Nederland daarvan leren?

Suriname: een reeds gebaande weg

Crematie in Indonesië +/- 1913. Het lukte het koloniale regime hier niet om crematie te verbieden

Laten we beginnen met de plek in het (toen nog) Nederlandse koninkrijk waar voor het eerst werd gestreden om in de open lucht te mogen gaan cremeren: Suriname.[1] Zoals ik vorige week al vertelde, is ook in Suriname openluchtcrematie niet vanzelfsprekend mogelijk geworden. Onze voorouders hebben ervoor moeten strijden, onderhandelen en opkomen voor hun religieuze en culturele gebruiken binnen een samenleving waarin christelijke normen lange tijd een grote invloed hadden en waarin de wetgeving sterk was gevormd door het Nederlandse recht. Die geschiedenis is voor mij belangrijk, juist omdat zij laat zien dat veranderingen die vandaag vanzelfsprekend lijken, ooit begonnen zijn bij mensen die de moed hadden om een bestaande situatie ter discussie te stellen. Toen in 1873 de eerste tot-koelie-gemaakte hindostanen in Suriname arriveerden, werd het de hindoes onder hen verboden om de twee meest uitgebreide levensriten, die van het huwelijk en die rond het overlijden, te voltrekken op de manier die zij vanuit India hadden meegekregen van hun voorouders. De lokale wetgeving was puur ingericht op de christelijke overheerser en van wetten aanpassen was geen sprake. Deels omdat men ervan uitging dat de ‘kantraki’s’ wel naar India zouden terugkeren zodra hun arbeidstermijn was verstreken, en deels omdat de tradities en gebruiken die ze hadden meegebracht als primitief en zelfs barbaars werden gezien. Voor onze voorouders was met name het verbod op crematie een groot verdriet: crematie werd immers nodig geacht voor het snel een-worden van het lichaam met de elementen zodat de ziel bevrijding kan krijgen. Als dit ritueel niet naar behoren voltrokken kon worden, kon dat zowel voor de overledene als voor de nabestaanden ongunstige gevolgen hebben. Crematie en de bijbehorende rituelen zijn daarom een belangrijke maatschappelijke plicht in de Vaidik cultuur. Om die plicht zo veel mogelijk toch te kunnen vervullen binnen het wettelijke verbod, werden de rituelen noodgedwongen aangepast aan de begrafenis context (mati dewe), waarbij zoveel mogelijk oorspronkelijke elementen behouden bleven. Onze tradities zijn dus zo diepgeworteld dat ze zelfs bij een verbod erop niet zomaar verdwijnen. Dit geldt ook voor de vivaha samskara: die werd weliswaar niet erkend als huwelijk, maar was ook niet verboden – en daarom bleef men in de hindoegemeenschap deze manier van trouwen verkiezen boven een wettelijk erkend huwelijk. In 1940 werd de vivaha samskara vanuit praktisch oogpunt officieel gelegaliseerd als huwelijksvoltrekking. De overwegingen van het koloniaal bestuur omtrent juiste bevolkingsregistratie, wonnen het hierbij van het felle moralistisch verzet hiertegen vanuit de Staten van Suriname. Na de officiële erkenning van de vivaha samskara in 1940, begonnen er al snel stemmen op te gaan die het crematieverbod aan de kaak stelden en het recht opeisten om ook de antyesthi samskara naar behoren te kunnen voltrekken. In de jaren vijftig werd deze roep luider en in 1951 werd de eerste politieke discussie hierover gevoerd in de Staten, op initiatief van een aantal hindoestaanse Statenleden, waaronder Baba (Ramkisoen Dewdat) Oedayraj Singh Varma. Zij beoogden in eerste instantie geen traditionele crematie in de open lucht, maar een ovencrematorium naar Europees model. Dit werd in 1966 wettelijk mogelijk gemaakt, maar de definitieve doorbraak kwam met het overlijden van Baba Varma in 1968. Hij was naast Statenlid en prominent leider binnen de Ārya Samāj, namelijk ook goed bevriend met toenmalig minister-president Pengel. Toen Baba overleed, regelde Pengel binnen een paar dagen dat de wet zodanig werd aangepast dat zijn laatste wens om in de open lucht gecremeerd te worden, gerespecteerd kon worden. Zo vond dankzij de inzet van velen op 2 februari 1968 eindelijk de eerste openluchtcrematie plaats in Suriname. Na bijna een eeuw lang gedwongen te zijn geweest om haar overledenen te begraven, kon de hindoestaanse gemeenschap hierna eindelijk afscheid nemen op haar eigen, traditionele manier: natuurlijk, intiem, in alle rust en midden tussen de elementen. Deze beknopte geschiedenis mist nog veel namen, details en data, want er is nog weinig informatie bekend. Heeft u aanvullingen, dan horen we graag van u om deze op te tekenen, zodat deze belangrijke geschiedenis niet verloren gaat. Zie de oproep onderaan dit artikel.

Andere Caraïbische landen

Openluchtcrematie in Trinidad tijdens corona (foto: SHASTRI BOODAN, T&T Guardian)

Suriname was niet de enige plek waar contractarbeiders de strijd hebben moeten voeren om in de open lucht te mogen cremeren. In Trinidad & Tobago, waar 35-40% van de bevolking hindoe is, werd dit ook pas na de beëindiging van het koloniale tijdperk legaal, hoewel het daarvoor wel af en toe stiekem gebeurde – met het risico op vervolging. Vanaf 1936 werd het door een aanpassing in de gezondheidswet in theorie mogelijk om te cremeren. Er kwamen echter zoveel ingewikkelde en corrupte procedures bij kijken, dat de grotendeels ongeschoolde hindoestanen (want: lange tijd geen recht gehad op onderwijs) dat meestal niet voor elkaar kregen. Een bekende ondernemer slaagde er wel in een vergunning te verkrijgen, waarop hij op de openbare vuilnisbelt gecremeerd mocht worden – een grote vernedering voor de gemeenschap. Na decennia van petities en onderhandelingen door o.a de Trinidad Sanatan Dharm Maha Sabha, werd in 1953 het recht op openluchtcrematie weliswaar vastgelegd in de uitvaartwet, maar nog steeds bleef het praktisch onmogelijk. Dit had te maken met hoge transportkosten om de schaarse goedgekeurde plekken te bereiken, en de blijvende verplichting om het lichaam in een Europese kist te cremeren. Niet alleen waren de kisten duur, het verbranden duurde daardoor ook langer en kostte dus veel meer hout en ghee. Deze situatie bleef decennia onveranderd, waarbij de gemeenschap nog een flinke natrap kreeg van de eerste minister-president van het onafhankelijk geworden Trinidad, dr. Eric Williams. Toen die op 29 maart 1981 overleed, had hij instructies achtergelaten dat hij gecremeerd wilde worden. Vanwege de anti-hindoeïstische houding van zijn eigen partij, de regering en de maatschappij was er echter nog geen crematoriumoven in het land. Er werd speciaal een oven uit Miami voor hem ingevlogen, zodat de man die zelf de hindoegemeenschap steeds met minachting had behandeld, gecremeerd kon worden zoals iedere hindoe dat graag had gewild. Na aanhoudend activisme van prominente leiders zoals Satnarayan Maharaj werden de wetten in Trinidad eind 20e eeuw pas versoepeld zodat cremeren in de open lucht eindelijk breed beschikbaar werd. Inmiddels heeft elke stad wel een aantal plekken waar in de open lucht gecremeerd wordt. De praktijk is nu zo ingeburgerd dat een verbod vanuit de regering op het cremeren van corona-doden tijdens de COVID-periode tot groot protest leidde, en vervolgens door de rechtbank van tafel werd geschoven als discriminerend en in strijd met de grondwet.

Vervoer in een ‘doli’ bij de crematie van een pandit in Guyana (Foto: Stabroek News)

Ook in Guyana (40% hindoe bevolking) is er een vergelijkbaar proces vooraf gegaan aan het mogelijk maken van de antim sanskaar. Net als in Trinidad werd dit in 1953 toegestaan, maar onder zoveel beperkingen dat het in de praktijk niet uitvoerbaar was. Uiteindelijk vormde de doorbraak ook hier het overlijden van een specifiek persoon, namelijk Dr. Jung Bahadur Singh. Mijnheer Singh was een prominent hindoe, arts en kamerlid en vocht al jaren voor openluchtcrematie toen hij in 1956 zelf ongeneeslijk ziek werd. Na zijn overlijden vroeg zijn familie een eenmalige spoed-uitzondering aan die door de Britse consul werd verleend, en hierdoor kon dokter Singh in de open lucht gecremeerd worden op Ogle Beach. De enorme publieke belangstelling waaronder dit gebeurde, betekende olie op het vuur van de lobby en onder groeiende publieke druk werd nog in 1956 de wet verruimd. In 1960 werd het recht op openluchtcrematie in Guyana definitief in de wet verankerd. Uniek aan Guyana is dat men hier voor het eerst doli’s is gaan inzetten bij uitvaarten, als creatieve manier van het omzeilen van de verplichte kist. Doli’s zijn draagstoelen, traditioneel met gordijnen die inzittenden aan het zicht kunnen onttrekken. Deze worden in India onder andere bij bruiloften gebruikt en vroeger voor het vervoer van VIP’s. Zoals hierboven al genoemd, waren koloniaal geproduceerde kisten duur en bemoeilijkten deze de crematie. In Guyana bouwde men doli’s speciaal voor crematies: een draagbaar gemaakt van licht lokaal hout zoals bamboe, overdekt met witte doeken of een nauwer om het lichaam sluitende, dunne bamboe kist. Zo konden lichamen ongezien vervoerd worden zoals de wet dat vereiste, maar toch relatief vrij op de houtstapel gelegd worden.

Het Afrikaanse continent

Naast de Caraïben en Azië, is Afrika het continent waar openluchtcrematie nog de meeste ruimte krijgt. In een aantal landen in Oost-Afrika wonen namelijk veel Indiase handelaren, bijvoorbeeld in Kenia, Tanzania en Oeganda (zelfs nadat hindoes daar in 1972 compleet werden verbannen).  Ook in Zuid Afrika bestaat een zeer levendige en omvangrijke hindoe-gemeenschap, met name in de stad Durban die met haar 1,3 miljoen hindoe inwoners ook wel “de grootste Indiase stad buiten India” wordt genoemd. En tot slot is er natuurlijk Mauritius, het paradijselijke eiland in de Indische Oceaan, waar 40-60% van de bevolking Indiase roots heeft en een rijke hindoecultuur instant wordt gehouden. In Zuid Afrika is het niet echt verboden om te cremeren in de open lucht. Er werden zelfs al in 1904 (Clare Estate in Durban) en 1918 (Brixton in Johannesburg) houtcrematoria voor hindoes gebouwd, na onderhandelingen tussen Mahatma Gandhi en de plaatselijke overheden. In de jaren ‘60 en ‘70 van de vorige eeuw werden er naast deze houtfaciliteiten modernere gasovens gebouwd, en raakte de oorspronkelijke houtovens in onbruik. Die in Johannesburg is wel bewaard gebleven en heeft in 1995 de status van monument gekregen. In Durban vonden de houtcrematies plaats in een kuil op het terrein, die nog steeds zichtbaar is maar niet meer wordt gebruikt. Een van de nieuwe gebruiken die in Afrika zijn ontstaan voor overleden hindoes, zijn herdenkingsplaatjes. Grappig genoeg is het creëren van herdenkingsplekken in de vorm van plaatjes of urnmonumenten nu ook in opkomst onder hindoes in Nederland, bijvoorbeeld bij het crematorium in Usselo. Vandaag de dag is het een stuk minder gebruikelijk om op hout te cremeren. Er kan in voorkomende gevallen toestemming worden verleend op basis van culturele of religieuze argumenten. Er zijn wel een aantal strikte voorwaarden aan verbonden. Zo moet het ver buiten de bebouwde kom en aan het publieke oog onttrokken plaatsvinden, en zijn er nog aanvullende hygiënische eisen zoals het dragen van handschoenen en dat verbrandingsresten niet in de buurt van drinkwaterbronnen mogen komen. En in het droge seizoen mag het open vuur geen brandgevaar voor de velden opleveren. Voor mensen in de stad is cremeren op deze manier dus niet praktisch. Bovendien is de hindoe gemeenschap een ondergeschoven kindje in de Zuid Afrikaanse samenleving en is er sprake van discriminatie. De publieke opinie is niet op de hand van de gemeenschap en er kan plaatselijk behoorlijk wat maatschappelijk tegenstand zijn als het gaat om cremeren in de open lucht. Als het al gebeurt, loopt men niet met de praktijk te koop – men kiest haast liever voor ovencrematie. Er is online dan ook geen Zuid-Afrikaans (beeld)materiaal te vinden over cremeren op hout. Hierdoor zijn veel hindoes in de praktijk min of meer afhankelijk van door de overheid beheerde crematoria. Er zijn echter te weinig crematoria, en ze worden ook niet voldoende onderhouden waardoor sommige regio’s het tot wel 12(!) jaar lang zonder crematorium moeten stellen. De crematoriumcapaciteit komt nu ook steeds verder onder druk te staan door een gebrek aan begraafplaatsen, met name in de steden. Dit betekent dat ook steeds meer andere geloven kiezen voor cremeren en de vraag dus stijgt zonder dat de faciliteiten meegroeien. Verzoeken van de hindoe gemeenschap om het beheer van defecte of slecht onderhouden crematoria over te nemen werden tot nu toe geweigerd. Door de toenemende schaarste en de stijgende brandstofprijzen wordt cremeren de laatste tijd snel duurder: een van de crematoria kondigde van de ene op de andere dag een prijsstijging aan van 50%. Dit brengt crematie vooral voor stadse hindoes in Zuid Afrika steeds verder buiten bereik. Vandaar dat er de laatste jaren stemmen opgaan om weer meer in de open lucht te gaan cremeren. De landelijke Sabha onderhandelt hierover met lokale autoriteiten om per geval of plek toestemming te verkrijgen. Er zijn regio’s waar houtstapels nog de standaard manier van cremeren onder hindoes zijn, en de toekomst zal ons leren of openluchtcrematies onder deze omstandigheden ook op andere locaties weer meer opgepakt zullen gaan worden. Het kan ook anders: in Kenia is cremeren onder invloed van het hindoe gebruik zodanig geaccepteerd geworden, dat ook steeds meer prominente Kenianen er tegenwoordig voor kiezen. Op Facebook kunt u hierover een nationale nieuwsuitzending bekijken waarin de kijker een rondleiding krijgt door een keniaans hindoe crematorium waar zowel in een oven als op hout wordt gecremeerd. Als hekkensluiter, maar zeker niet onderaan de lijst, komen we bij Mauritius. Hier is cremeren in de open lucht nog een heel gangbare en wijd geaccepteerde praktijk, die hier nog gewoon in het openbaar plaatsvindt. De overheid begint vanuit milieuoogpunt nu wel steed meer gas- en elektrische crematiefaciliteiten te bouwen, maar houtcrematie blijft erg geliefd. Elke regio heeft een centraal uitvaartpunt waar houtcrematies kunnen worden aangemeld. Ook beschikt elke regio over eigen aangewezen crematiegronden waar op de traditionele houtstapel gecremeerd kan worden. Hieronder ziet u de buitenkant en de inrichting van zo’n crematieplek in de publieke ruimte aan zee (met dank aan carrotmadman6’s photoblog). Er zijn in Mauritius ook vele uitvaartondernemers die zich specifiek richten op verschillende soorten hindoerites: vedisch, pauranisch, zuid- of noord-indiaas en in uiteenlopende talen. Een breed scala aan rituelen kan hier op authentieke wijze worden gefaciliteerd..

Midden-oosten en Islamitische landen

Grenzend aan het huidige India liggen een aantal overwegend Islamitische landen, met name Pakistan en Bangladesh, waar crematie is toegestaan vanuit het verleden toen deze gebieden nog deel uitmaakten van India. Er zijn faciliteiten in de dichter bevolkte gebieden, maar zijn niet altijd toereikend – vooral voor mensen die in meer afgelegen gebieden wonen. Vandaar dat overleden hindoes ook wel worden begraven, met ook hier weer creatieve aanpassingen om toch aan de rituele voorschriften te kunnen voldoen: zo wordt er soms een munt gecremeerd in plaats van het lichaam, en deze munt wordt dan in de hand van de overledene geplaatst voordat het lichaam wordt begraven. In de meeste midden-oosterse landen zijn  alle crematies strikt verboden, ook die in een oven – zelfs al wonen er relatief veel hindoes. Koeweit heeft bijvoorbeeld wel 12% hindoe inwoners, en voor de Emiraten lopen de schattingen op tot maar liefst 20%. Dit verbod komt doordat crematie indruist tegen de islamitische sharia-wetgeving die begraven verplicht stelt. Hindoes die in deze landen overlijden, kunnen kiezen voor een kostbare repatriëring voor crematie in India, maar als er veel familie ter plekke woont, kiest men vaak liever voor lokaal begraven. De nabijheid van familie wordt hier uiteindelijk belangrijker geacht dan het strikt vasthouden aan de vorm van de rituelen. In het geval van laaggeschoolde arbeiders gebeurt begraven bij geb

rek aan fondsen vaak noodgedwongen, wat enorm verdrietig, zo niet traumatiserend is voor familie in het thuisland. In ieder geval in twee moslimlanden in de regio worden er wel hindoe-riten toegestaan. Laten we beginnen met Bahrein, waarvan de schattingen uiteenlopen van 1-9,8 % wat betreft hoeveel hindoes er precies wonen. Openluchtcrematies worden hier gedoogd en zijn altijd ee

n redelijk gangbare praktijk geweest waar nog steeds vergunningen voor worden verstrekt. Vanwege milieu- en volksgezondheidsoverwegingen probeert de lokale overheid dit nu echter te verbieden en staat deze mogelijkheid dus onder druk. Naast in Bahrein wordt ook in Oman cremeren toegestaan voor niet-moslims. Oman ligt het dichtst bij India en heeft met 3-5,7% van de bevolking een groot aandeel hindoes. Er kan zelfs op twee plekken in de open lucht worden gecremeerd (tegenover slechts 1 in westerse stijl): de Kailash hindoetempel beheert deze crematiegronden in Sohar en in Salalah. Nog een Islamitisch land waar openluchtcrematie tot een jaar of tien geleden nog echt helemaal traditioneel was toegestaan, is Maleisië. In Maleisie worden al honderden jaren hindoes gecremeerd en begraven, zo zijn er in de hoofdstad Kuala Lumpur bijvoorbeeld bij sommige grote tempels uitgebreide faciliteiten voor openluchtcrematies. In Ipoh is een hindoe openluchtcrematie- en begraafplaats waar de oudste gedenksteen al uit 1815 dateert. Plannen om daar een modern crematorium te bouwen dat toegankelijk moest worden voor alle geloven, stuitten daar tien jaar geleden op verzet vanuit de gemeenschap waarbij men het argument gebruikte dat de grond spiritueel en cultureel hindoe-erfgoed is. Uiteindelijk is het crematorium er toch gekomen, wat een einde betekende aan de openluchtcrematies. Wel is het een crematorium geworden dat exclusief voor hindoes is bestemd, wat de overwegend Zuid-Indiase hindoegemeenschap in Maleisie belangrijk vond vanuit rituele reinheidsoverwegingen. Blijkbaar werd het behouden van houtcrematies hier minder belangrijk gevonden door de gemeenschap dan het beschikbaar en bereikbaar maken van voldoende, speciaal op hindoe riten ingerichte locaties. Zo zijn er de afgelopen jaren – na dertig jaar wachten en 20 jaar actieve lobby vanuit de lokale Tamil gemeenschap – een aantal mooie nieuwe faciliteiten aan het water gebouwd. Een daarvan werd op 20 maart dit jaar ingezegend en is gebouwd op een stuk land dat door koning Sultan Ibrahim gedoneerd is aan de gemeenschap, met toestemming van de lokale autoriteiten voor het voltrekken van alle rituelen rondom het sterven, inclusief de asverstrooiing. Het complex wordt door de overheid en de gemeenschap gezamenlijk beheerd.

Het ‘Westen’: Australië, Engeland, Amerika en Spanje

De eerste bekende verslagen van openluchtcrematies in een ‘westers’ land stammen uit 1895 en komen uit een Australische krant. Meneer Singh, een (Sikh) straatverkoper die nog niet zo heel lang geleden naar Australië is geëmigreerd, overlijdt aan een longontsteking. Een kennis vraagt de plaatselijke politie om toestemming om het lichaam op het strand te cremeren en krijgt die verrassend genoeg zonder problemen. De kist wordt in een busje naar het strand gereden, vergezeld van een aantal Sikh mannen die onderweg ululeren en luid hun verdriet kenbaar maken. Op het strand wordt het lichaam in kleurige doeken gewikkeld en besprenkeld met rozenwater, sandalhoutkrullen en myrrhe. Nadat er zilveren, gouden en koperen munten op het lichaam zijn geplaatst, wordt de kist gesloten en op de brandstapel geplaatst. Dat het lichaam in een kist en niet slechts in doeken wordt gecremeerd, is waarschijnlijk omdat de autoriteiten daarop stonden vanuit hygiënisch oogpunt en vanwege de heersende betamelijkheidsnormen. De brandstapel bestaat uit anderhalf ton lokaal hout dat kruisgewijs wordt opgestapeld en bij gebrek aan ghee wordt besmeerd met boter, en – bij gebrek aan een zoon en heilig vuur – door de kennis met lucifers en papier wordt aangestoken zonder verdere recitaties van mantra’s. In hurkzit kijken de mannen tweeëneenhalf uur zwijgend toe hoe het lichaam tot as wordt verbrand. Tot slot verzamelt een kennis de as om naar de ouders van de overledene in Punjab te zenden, zodat zij deze in de Ganges kunnen uitstrooien. De grotere overblijfselen zoals tanden en stukjes bot, worden in de zee gegooid. Verbazend genoeg vond in dezelfde maand nóg een crematie plaats, even verderop op hetzelfde strand, in een wat meer afgelegen baai. Alleen werden er dit keer christelijke liederen gezongen en kerosine op het hout gegoten, waarna een zoon het vuur aanstak op een teken van de predikant. Het was dan ook geen meneer Singh die nu werd gecremeerd, maar een mevrouw Henniker-Inger – een naam die duidt op Scandinavische roots. Het feit dat in Australië zo vroeg en redelijk soepel een openluchtcrematie werd toegestaan, komt waarschijnlijk omdat daar al een tijdje een lobby gaande was vanuit een stel Australiërs met Noord-Europese roots, die cremeren blijkbaar verkozen boven begraven. Zodoende werden in Zuid-Australië al in 1891 wetten doorgevoerd die crematie toestonden, hoewel de praktijk pas echt goed op gang kwam na de tweede wereldoorlog.[2] Dit gold echter alleen voor reguliere crematies: cremeren in de open lucht is al lang niet meer toegestaan, behalve op sommige stukken aboriginal grond. Zo kunnen de oorspronkelijke bewoners hun uitvaartrituelen wel volgens de eigen traditie uitoefenen. Ook in Engeland is oorlog, in dit geval de eerste wereldoorlog, een van de weinige momenten geweest waarop hindoes in Engeland bij uitzondering op hun eigen manier hun doden mochten cremeren. Het ging om 53 hindoe en sikh soldaten die (al dan niet gedwongen) hadden meegevochten aan Britse kant en waren overleden na een verblijf in het militaire ziekenhuis in Brighton. Ze werden tussen december 1914 en december 1915 met inachtneming van de rituelen gecremeerd op een afgelegen heuvelrug in de buurt van het ziekenhuis. Hun as werd in zee verstrooid voor de kust van Brighton en het koninklijke Chattri monument dat u hierboven ziet, eert hun offer. Tevens werd in 1934 een nepalese prinses, de vrouw van de ambassadeur van Nepal in Engeland, in de open lucht gecremeerd. Hierna bleef het verboden om buiten de vaste crematoria te cremeren, zoals in 1930 wettelijk was vastgelegd. Pas in 2006 probeerde ene meneer Ghai om namens de Britse hindoegemeenschap het wettelijke recht op een traditionele brandstapel via de rechter af te dwingen, nadat hij nabij Newcastle een illegaal verklaarde brandstapel had georganiseerd voor een verdronken man (zie hierboven). Zijn argument was dat volgens de hindoe-ethiek alleen zo bevrijding bereikt kon worden door de overledene. In februari 2010 stelde het Hof van Beroep hem min of meer in het gelijk: cremeren in de open lucht was eigenlijk niet verboden, zolang er maar aan de bestaande wetten werd voldaan. Dat betekende dat het aan zulke strenge voorwaarden moest voldoen, dat er tot op heden geen gebruik van wordt gemaakt: de houtstapel moet in een gebouw met muren en een dak worden gemaakt, buiten het zicht van wegen en woningen, en voldoen aan strenge milieueisen. Wel wordt er eind dit jaar nabij Londen een eerste crematorium speciaal voor dharmische tradities geopend naast het grote Swaminarayan tempelcomplex. Hier zal weliswaar niet op hout worden gecremeerd, maar er zijn wel hele grote zalen, verschillende rituele ruimtes, een eetgelegenheid en voldoende tijd en ruimte bij de oven. In Amerika valt het verbranden van een lijk buiten een crematorium op de meeste plekken onder grafschennis. De enige plek waar legaal crematies in de open lucht plaatsvinden is in Colorado, waar een leefgemeenschap is van vrije geesten die dicht bij de natuur willen leven en veel kleine hindoe en boeddhistische tempeltjes in de omgeving hebben gebouwd. Op hun crematieplek mogen 12 mensen per jaar in natuurlijk doek en op hout worden gecremeerd door hun dierbaren, ongeacht hun levensovertuiging. In de praktijk betekent dit, dat er alleen leden van de leefgemeenschap worden gecremeerd. De Amerikaanse milieuregels zijn veel minder streng dan in Europa dus vormen hierbij geen obstakel. Het enige land ooit in Europa waar traditionele crematies een tijdje legaal hebben kunnen plaatsvinden, was Spanje. Het gaat om twee plekken met een onafhankelijke stadstatus, gelegen buiten het Europese continent: Tenerife en Ceuta.Over Tenerife heb ik nog niet veel kunnen vinden, dus we zullen beginnen met het hindoeïstische crematorium in Ceuta – een Spaanse autonome stad in Noord-Afrika. Dit crematorium werd in september 2006 ingewijd en was speciaal gebouwd voor de levendige, aloude Sindhi-hindoeïstische gemeenschap in Ceuta. Omdat de Spaanse wet traditionele open crematie expliciet verbiedt, bouwde de stad Ceuta een aan de toenmalige wetten aangepaste, hybride constructie. Deze bestond uit een speciale, open constructie voor de ​​houtstapel met afscherming van de omtrek. Hiermee werd destijds zowel aan de spirituele eisen van de hindoe begrafenisrituelen als aan de Spaanse volksgezondheidsnormen voldaan. De faciliteit raakte helaas in onbruik door een combinatie van strengere milieuregelgeving en veranderende gezondheidswetgeving, maar ook vanwege onvoldoende gebruik door de gemeenschap die in de praktijk toch vaak de voorkeur gaf aan de beter onderhouden en snellere doorsnee crematieovens. Hierna raakte het gebouw ernstig in verval. De lokale hindoegemeenschap heeft in 2021 plannen ingediend voor de herinrichting en modernisering van de locatie, waarbij geen hout meer gebruikt zal worden maar moderne crematietechnologie die aan de huidige Europese milieu- en sanitaire voorschriften voldoet.

Situatie in Nederland

Op dit moment is er nog geen plek in Nederland waar je kunt cremeren in de open lucht. Hoewel de vrijheid van geloofsuitoefening is vastgelegd in de grondwet, zijn er een aantal juridische en praktische obstakels – met name op het gebied van de wetten die gaan over het milieu, volksgezondheid en de lijkbezorging (hoe het lichaam van een overledene behandeld dient te worden). Hieronder zal ik dit wat verder toelichten

  1. Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Dit is artikel 6 van de grondwet in Nederland, en met het eerste lid wordt bedoeld dat iedereen zich in overeenstemming met zijn of haar levensbeschouwing mag gedragen, alleen of in groepen, tenzij dat tegen een andere wet ingaat (en dus strafbaar is). In 1983 werd het tweede lid aan dit artikel toegevoegd, en die impliceren een aantal vereisten als het gaat om openluchtcrematies. Ten eerste: het moet op een ‘besloten plaats’ gebeuren. Als dat niet zo is, kunnen er regels tegen gesteld worden, bijvoorbeeld omdat gedacht wordt dat het tot protesten of publieke onrust (wanordelijkheden) zou kunnen leiden. Nu zijn er inmiddels wel een aantal plekken in de publieke ruimte waar in stromend water uitgestrooid mag worden, bijvoorbeeld vanaf het speciaal voor hindoes gewijde uitstrooiponton bij de Brienenoordbrug in Rotterdam, vanaf de Pier van Scheveningen, of in Amsterdam waar geen expliciete vergunning nodig is mits het geen overlast of gevaar veroorzaakt, het privé gebeurt, en vooraf aangemeld wordt bij de gemeente.[3] Ook is er een speciaal veld voor hindoes bij het crematorium van Usselo, waar een monument met stromend Ganges-water is gecreëerd om alle rituelen voor de as verstrooiing te kunnen voltrekken. Het bestaan van zulke publieke plekken zou een precedent kunnen scheppen, maar as verstrooien aan het water is maatschappelijk meer geaccepteerd dan cremeren aan het water: dat zal aan het zicht onttrokken moeten worden om als ‘besloten plaats’ beschouwd te worden. De andere moeilijkheid die voortvloeit uit artikel 2, is de vereisten die de overheid mag opleggen als de gezondheid in gevaar zou komen. Bij elke crematie, ook die in een oven, komen er rook, fijnstof en chemicaliën vrij die volgens de milieuwetten niet zomaar in de lucht terecht mogen komen. Dat zou een gevaar vormen voor de luchtkwaliteit en dus voor de volksgezondheid. Crematoria hebben daarom naverbrandingsinstallaties waar de rook in wordt opgevangen en nogmaals verbrand en gezuiverd totdat deze milieuvriendelijk genoeg is om vrij te laten in de lucht. Bij verbranding op hout geldt dit in nog sterkere mate. Ook moet de as gemalen en gefilterd worden zodat er geen half verbrande resten in het water komen bij verstrooiing. Hiervoor moeten dus technische oplossingen komen, zoals de afzuiginstallaties in Indiase crematoria die milieuvriendelijke crematie-opties bieden waar ook minder hout in wordt verbruikt. Hieronder vindt u een voorbeeld van hoe dat eruit ziet. Tot slot is er de wet op de lijkbezorging die van oudsher puur op christelijke normen, waarden en gebruiken is ingericht. Er zijn in de loop van de tijd wel wat aanpassingen gedaan om Joodse en (meer recent) Islamitische gebruiken te faciliteren – zo mag de uitvaart nu ook binnen 36 uur plaatsvinden en is een kist niet meer verplicht. Openluchtcrematies in India vinden bij voorkeur voor zonsondergang op de dag van overlijden plaats en met een in doeken gewikkeld lichaam. In Suriname zijn dit echter minder belangrijke elementen dan de ervaren nabijheid van het cremeren in de open lucht. Het feit dat er maar heel beperkt tijd en ruimte is voor dierbaren om bij de oven te zijn het verbrandingsproces mee te maken, is een pijnlijker punt en geeft aan dat de huidige faciliteiten in Nederland niet zijn ingericht op dharmische praktijken. Wie wat meer wil weten over hindoestaanse uitvaarten in Nederland, kan dit hindorama-artikel van prof. Chan Choenni uit 2004 lezen, of de recentere publicatie Aan de Ganges in Twente van de Radboud Universiteit in Nijmegen (2018). Er zijn dus best manieren om met openluchtcrematies aan de milieu- en uitvaartwetten te voldoen, al heeft het nog wat technische voeten in de aarde. Waar ligt dan het grootste knelpunt? Dat ligt in het zichtbaar zijn van het lichaam tijdens de verbranding: daarom mogen nabestaanden hier niet te lang blijven kijken bij de oven, en daarom mag er ook niet in de open lucht gecremeerd worden. Ik heb echter nergens in de wet kunnen vinden waar dat letterlijk vastgelegd is. De geest van de wet zegt dat lichamen van overledenen met respect behandeld moeten worden, en daarom stelt de letter van de wet bijvoorbeeld een draagplank verplicht als een lichaam alleen in doeken wordt gewikkeld. Verder moet de lijkwade milieuvriendelijk zijn en in artikel 8 van het ‘Besluit op de lijkbezorging’ uit 1997 staat aanvullend nog dat “het omhulsel op het doel van crematie [moet] zijn afgestemd”. Hoe ‘afgestemd’ moet worden gelezen, kunnen de meningen verschillen. Het idee achter al deze bepalingen is dat een lichaam waardig vervoerd en de oven ingeschoven kan worden. Echter wordt het waardigheidsprincipe en de term ‘afgestemd’  hier als vanzelfsprekend geïnterpreteerd als dat het lichaam tijdens de volledige vervoer en uitvaart (inclusief begraven of cremeren) aan het zicht onttrokken moet worden. Maar is dit wel zo vanzelfsprekend? Dit is een westers bepaalde vorm van ‘waardigheid’, waarbij de wettekst dus wordt geïnterpreteerd vanuit een culturele of religieuze (christelijke / abrahamitische) vooringenomenheid. Voor mijn gevoel druist dit in tegen mijn grondwettelijke recht om mijn religie uit te mogen oefenen, en mijn recht op gelijke behandeling. Hoe kan het dat bij de interpretatie van de wet over zulke persoonlijke rituelen, de ethiek van de persoon in kwestie en de naastbetrokkenen opzij gezet kan worden omdat deze afwijkt van de ethiek van de meerderheid? De wet mag iemands vrijheden beperken als er sprake is van risico’s of schade voor anderen, maar wat is er schadelijk aan in een besloten bijeenkomst doen wat wat voor ons en onze voorouders nodig is voor een waardige uitvaart – mits we aan de geldende openbare betamelijkheids-, volkgezondheids- en milieu-eisen voldoen?

De weg die nog voor ons ligt

De bovenstaande verhalen uit landen waar succesvol is gestreden voor het recht op cremeren in de open lucht, geven ten eerste aan dat we niet alleen staan in onze wens. We maken deel uit van een wereldwijde gemeenschap die opkomt voor deze mooie, betekenisvolle en respectabele traditie. Dit bewijst maar weer: vasudhaiva kutumbakam, de hele wereld is een grote familie. Velen hebben zich ingezet en voorbeelden geschapen waar we ons door kunnen laten inspireren. Ook geeft het bovenstaande al een beetje aan welke weg in Nederland nog bewandeld zou moeten worden als we openluchtcrematie mogelijk willen maken. Op de meeste plekken waren een lange politieke lobby, maatschappelijk debat, juridische strijd en prominente voortrekkers nodig, om laagdrempelige voorzieningen voor elkaar te krijgen. En we willen natuurlijk wel voorkomen dat er na al die inspanningen iets gebeurt als in Noorwegen: daar zijn speciale plekken gemaakt om urnen met as van hindoes te kunnen begraven waar nog nooit gebruik van is gemaakt. Of in Engeland, waar cremeren op hout nu dus weliswaar mag, maar ook nog met zoveel restricties dat het alsnog niet haalbaar is en nauwelijks wordt toegepast. Of in Spanje, waar het mogelijk werd maar in onbruik raakte door gebrek aan onderhoud en veranderende wetgeving. Misschien is de weg lang. Misschien zullen er publieke bezwaren, juridische en praktische obstakels zijn. Maar de geschiedenis van onze voorouders in Suriname leert mij in ieder geval één ding: wat op een bepaald moment onmogelijk lijkt, hoeft niet voor altijd onmogelijk te blijven.

Volgende maand in deel 4

In het volgende deel van deze serie gaan we in gesprek met iemand die de allereerste openluchtcrematie in Suriname als kind heeft meegemaakt. Wat voor indruk maakte dit, en wat heeft deze persoon meegekregen van de politieke strijd die daaraan vooraf ging? Hoe verliep de ceremonie en welke emoties maakte dit los rond het vuur maar ook in de gemeenschap? In de volgende delen willen we ook spreken met de mensen die direct of indirect hebben bijgedragen aan de totstandkoming van dit project. Daarbij denken we onder meer aan de eigenaar van het perceel aan de Weg naar Zee, de personen die het beheer van de crematieplaats op zich zouden nemen, en andere betrokkenen die vanuit hun positie meer duidelijkheid kunnen geven over het verloop van het proces. Daarnaast hopen we dat mensen die over relevante informatie, documenten of eigen ervaringen beschikken, zich zullen melden en bereid zijn mee te werken aan het onderzoek. Op die manier willen we zo zorgvuldig mogelijk reconstrueren hoe het project tot stand is gekomen, welke afspraken er zijn gemaakt, wie daarbij betrokken waren en hoe bepaalde beslissingen uiteindelijk zijn genomen. Tot die tijd laten we u achter met twee links naar oude klassiekers die u vast zult herkennen en die vele herinneringen en gemis zullen oproepen aan de dierbaren die ons voorgingen en de weg voor ons baanden: Kidhar chale, Tera dard na jaane koi, en Dekh Lo Aaj Humko…

[1] Suriname is niet de eerste plek op ‘Nederlands’ grondgebied openluchtcrematie plaatsvond: in het gekoloniseerde Indonesië was dit al eeuwen voordat de Nederlanders er arriveerden, gebruikelijk. Men realiseerde zich dat verbieden hier geen optie was en besloot het slechts aan banden te leggen door bijvoorbeeld dierenoffers en sati door dierbaren te verbieden, en verder te gedogen.

[2] Arnold, D. (2021) Burning the Dead: Hindu Nationhood and the Global Construction of Indian Tradition. pp 3-5, Univ of California Press.

 

[3] Aan de kade bij het Laakkanaal in Den Haag mogen wel bloemen en dergelijke worden geofferd, maar as verstrooien is er verboden.